VERSCHANSINGEN EN BESCHIETINGEN

Verschansingen en beschietingen

Na een meer dan 300-jarig bestaan, zijn en blijven zusters, broeders en hun organisatieverbanden zozeer bezig met claimen van hún concept van vrijmetselarij, dat er vrijwel niet of nauwelijks tijd overblijft om uiteindelijk ook effectief                                 ‘vrijmetselaar in handel en wandel’ te zijn…

Een essay van Hugo De Cnodder na 45 jaar lidmaatschap

 

INLEIDING

Ingewijd in de Antwerpse loge ‘Marnix van Sint Aldegonde’ op 9 november 1979, heb ik er als vrijmetselaar 45 pittige en bij wijlen hyperactieve jaren binnen het actieve maçonnieke leven op zitten. Het werd voor mij een uitermate boeiend verhaal met meer dan 1000 reizen doorheen het maçonnieke landschap van de Lage Landen en Noord-Frankrijk, tientallen presentaties en lezingen, een lange rij publicaties hetzij als tijdschriftartikels, hetzij onder de vorm van essays en boekpublicaties. De organisatie van een 15-tal studie- en ontmoetingsdagen voor zusters en broeders behorend tot alle maçonnieke organisatieverbanden uit de Lage Landen en dit op basis van hun onderlinge gelijkwaardigheid en dus zonder ook maar het minste onderscheid, legde getuigenis af van mijn visie op inwijdingsarbeid.

Op 17 november 2024 werd mijn ‘inslaapstelling op eigen verzoek’ officieel van kracht. Met deze administratieve formule blijf ik vrijmetselaar maar neem niet meer deel aan het actieve logeleven. 45 jaar leek me een mooi moment om enige afstand te nemen (let op: er staat niet afscheid te nemen!) om waar nodig en nuttig vanuit de verfrissende invalshoek als onafhankelijke ervaringsdeskundige en onderzoeker waar wenselijk of nodig mijn beschouwingen te formuleren. Ik wil ook onverkort mijn sympathie blijvend verzekeren aan enkele maçonnieke projecten die mij bijzonder nauw aan het hart blijven liggen: de Nederlandse maçonnieke stichting ‘Ritus en Tempelbouw’ en haar tijdschrift ‘Thoth’, de Haagse autonome gemengde loge ‘Ziggurat’, de Leeuwardse loge ‘Fiat Lux’ evenals ‘Lithos Confederatie van Loges’ in het algemeen en een aantal van haar aangesloten loges in het bijzonder. 

Mijn laatste boek ‘Een vernieuwend maçonniek perspectief’ (verkrijgbaar bij uitgeverij  ‘Kvadrato’) is te beschouwen als mijn maçonniek testament. Met dit essay probeer ik vragen en beschouwingen weer te geven die mij blijven bezig houden op zoek naar een ‘rode draad’ die meer dan 300 jaar vrijmetselarij aan elkaar rijgt. Juist om een en ander zo goed mogelijk uit te kristalliseren en in de onderlinge samenhang op een harmonieuze wijze te duiden, blijkt mijn zelfgekozen (administratieve) afstand voor mij hiervoor dé ideale formule.

Opgedragen aan en geïnspireerd door mijn medebroeder Marc B. en met hem de vele honderden zusters en broeders die het beste van zichzelf geven en zich inzetten voor een hedendaagse, kwalitatieve herijking van het maçonniek project waarin ontmoeting -> verbinding -> samenwerking evenals diversiteit & inclusie als hoekstenen van een maçonnieke ethiek voorop staan.

Copyright © 2025 Hugo De Cnodder. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of op enige andere wijze, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteur van dit essay.

 

=================================================================

 

+  EEN HUMANISTISCH STREEFDOEL :  BINNEN EEN BESLOTEN GROEPSVERBAND ZICHZELF WORDEN (EN ZO OOK ‘MEER MENS’) VIA REFLECTIE VANUIT HET KERNTHEMA ‘KEN UZELF! OP U KOMT HET AAN!’.  OP DEZE WIJZE ONTWIKKELT DE INGEWIJDE ZICH TOT EEN VRIJDENKEND MENS DIE IN VERBINDING MET ANDEREN – DIE ANDERS ZIJN DAN ZIJZELF – TOT EEN CONSTRUCTIEF ENGAGEMENT AAN EN IN DE MAATSCHAPPIJ KOMT.

 

Een existentieel uitgangspunt: Wat stellen wij als finaliteit van de initiatieke arbeid voorop? Waar is het ons om te doen? Wat willen wij hiermee bereiken? 

—>  Inwijdingsgenootschappen opteren voor de combinatie van inwijding(en) gevolgd door een aansluitend traject met o.a. zich herhalende rituelen en specifieke symbolen waardoor de pasingewijde een (kort of langdurig) parcours doorloopt waarin zij of hij bij elke stap ook specifieke inhouden aangereikt krijgt. De geleidelijke integratie van dit alles wil bij haar of hem een grotere ‘conscience’ (bewustzijn én geweten) ontwikkelen ten einde op deze manier ‘meer mens te worden’.

—>  Het omgevingskader dat hierbij gehanteerd wordt, heeft een besloten karakter. Niet omwille van geheimdoenerij maar omwille van de sereniteit die wenselijk, ja zelfs noodzakelijk is om het beoogde proces succesvol te laten verlopen. Storende elementen worden door deze beslotenheid ‘aan de voordeur’, lees de tempelpoort, achter gelaten.

—>  Het kleinschalig groepsverband – noem het gerust ‘het menselijk weefsel’ – van een loge – is van essentieel belang om de interacties tussen de leden zoveel als mogelijk in de hand te werken. De nieuwkomer is te vergelijken met een draad die geleidelijk ingeweven wordt in het reeds bestaande geheel. Een loge met té veel leden – waarbij zich quasi onvermijdelijk diverse subgroepen ontwikkelen – kan  deze noodzakelijke integratie in ernstige mate bemoeilijken.

—> Verbinding met de andere logeleden evolueert tot een verbinding die zich niet enkel op hen richt maar ook tot de medemens in het algemeen. Je zou het beoogde effect kunnen omschrijven als ‘een mens tussen de medemensen’. Die brede opstelling betekent voor ingewijden dan ook een engagement tot ‘de andere’  of die nu ook een ingewijde is of een burger buiten de tempelmuren.

—>  Inwijdingsarbeid beweegt zich met haar humanistisch streefdoel bij uitstek binnen een ethisch kader. Daarom is de notie van ‘vrijdenkend ‘ dan ook zo belangrijk. De ingewijde ontwikkelt zich steeds meer tot een autonoom en vrijdenkend individu. Logeleden ontwikkelen een verbinding met elkaar en dit inspireert hen – zowel individueel en/of als groep – om te komen tot een constructieve bijdrage aan de maatschappij.

—>  Logelidmaatschap convergeert pas naar een gedeeld maatschappelijk engagement als de leden zich zowel naar binnen als naar buiten richten. Naar binnen – cfr. het ‘ken uzelf’ -, wat in de loge via rituelen, symboliek en andere specifieke inhouden gefaciliteerd wordt. En van daaruit – cfr. ‘op u komt het aan’ – in de buitenwereld komen tot een maatschappelijk engagement dat door elk lid afzonderlijk aan de dag gelegd wordt binnen de eigen mogelijkheden maar dat ook door meerdere leden tezamen of een loge als geheel kan gebeuren. De arbeid in de tempel – ‘ken uzelf’ – is dus geen steriele arbeid maar draagt haar vruchten in maatschappelijk engagement – ‘op u komt het aan’ – dat een kwalitatieve bijdrage poogt te leveren aan het dagelijkse leven zelf!

Samengevat vervult de initiatieke arbeid een dubbele maar ook onderling verbindende rol: haar vormingsproces richt zich op de zelfvervolmaking van haar leden en dit individuele proces heeft haar effecten in een bredere maatschappelijke context.

+  MAAR… HOEVELEN WETEN NOG WAAROVER HET ÉCHT GAAT ?

Laten we even omgekeerd van wal steken en ons afvragen waartoe initiatieke arbeid niet dient, want zo raken we wellicht sneller bij de oorzaken van een dreigende en nefaste koersafwijking. 

—>  De ondersteunende rol van vrijmetselarij bij de uitbouw van koloniale rijken werd wetenschappelijk bestudeerd. Doctor Jessica Garland – Jacobs schreef twee standaardwerken over de bijdrage van de Angelsaksische vrijmetselarij aan de uitbouw van het British Empire, namelijk ‘The Fraternal Atlantic 1770-1930. Race, Revolution, and Transnationalism in the Worlds of Freemasonry‘ en ‘Builders of Empire. Freemasons and British Imperialism,  1717-1927’. De Franse vrijmetselarij deed hetzelfde bij de uitbouw en ondersteuning in de Franse kolonies. Idem dito voor het ‘Grootoosten der Nederlanden’ en de Nederlandse overzeese gebieden: ook vandaag zetelen er nog steeds drie regionale grootmeesters voor de overzeese gebieden  Suriname, de Caraïben en Zimbabwe, in het hoofdbestuur. Het ‘Grootoosten van België’ had op zijn beurt dan weer loges in Belgisch Congo. Het maçonniek netwerk uitgaande van het moederland trachtte op deze wijze de lokale elite aan te trekken en te verweven in een ondersteunend en dienstbaar netwerk. Daardoor was de uitbouw van vrijmetselarij vooral eerder een strategische keuze waarbij het maçonniek-inhoudelijke vaak verloren ging. De Leerstoel Théodore Verhaegen 2024-2025 van de Université Libre de Bruxelles wordt bekleed door Eric Saunier van de Université du Havre en heeft als thema ‘La Franc-maçonnerie dans les colonies: deux siècles d’histoire (1730-1930)’.

—>  Anderzijds hebben tal van loges behorend tot de zogenaamde adogmatische Belgische obediënties (vooral van GOB, LDH-BE en LITHOS CL, in mindere mate van GLB of VGLB) zich van bij hun oprichting – expliciet of impliciet – opgesteld als een soort voorhoede van een atheïstische, antireligieuze en antiklerikale beweging die zich afzette tegen de invloed van de katholieke kerk in België. Zij profileerden zich als protagonisten van het vrije denken. Dit alles is perfect verklaarbaar en begrijpbaar in de specifieke Belgische context maar vanuit zuiver maçonniek standpunt bekeken, is dit – net zoals zojuist werd aangegeven met betrekking tot koloniale mogendheden – eerder een vorm van ongewenste ‘instrumentering’ van deze inwijdingsgenootschappen. Net zoals het Italiaanse P2-schandaal dan weer een link legt naar hoogst verwerpelijke maffieuze connecties. Het inwijdingsgenootschap en zijn structuren worden in deze gevallen herleid tot een vehikel voor een totaal andere inhoud dan het reflectief en verbindend karakter dat logearbeid eigenlijk beoogt.

—> Het is eveneens aangewezen om oog te hebben voor mogelijke effecten die optreden door de wisselwerking tussen de plaats waar loges ingeplant zijn en de lokale mentaliteit aldaar. In grote steden (denk hierbij aan een schaalgrootte van o.m. Brussel, Amsterdam, Paris, Antwerpen, Liège, Rotterdam, Gent, Den Haag, enzovoort) is eerder een meer kosmopolitische ingesteldheid te vinden dan in regionale steden (zoals Hasselt, Brugge, Kortrijk en andere) waar de beslotenheid van een kleinere gemeenschap – en helaas soms ook van kleinburgerlijkheid – een stempel op drukt. Ik vel hiermee geen waardeoordeel maar wil enkel aangeven dat er een verschil in ingesteldheid is zowel binnen als buiten de loges van deze respectieve centra en dat men er goed aan doet dit aspect niet over het hoofd te zien.

—>  Helaas is gerichte ‘rekrutering’ binnen sommige loges dikwijls het platform waarop  zich ongewenste netwerking ent hetzij in relatie tot politieke belangen, hetzij voor zakelijke doeleinden, hetzij voor persoonlijk dienstbetoon en netwerking. Dergelijke loges evolueren dan eerder tot serviceclubs in plaats van een beschermde omgeving waar maçonnieke arbeid verricht wordt. Uiteraard varieert dit van loge tot loge maar het komt voldoende voor om dit hier als aandacht- en analysepunt aan te stippen. Men dient zich daarbij niet blind te staren op ‘grote schandalen’ maar ook oog te hebben voor de minder in het oog springende kleinschaligere en subtielere netwerken die zich binnen een loge of een groter organisatieverband kunnen ontwikkelen en waarvan de uitwerking dikwijls veel meer schade aanricht dan een in het oog springend disfunctioneren.

—> Te midden van al deze ‘stoorzenders’ is het de kunst dat zusters en broeders het hoofd bij de les trachten te houden. Dat is absoluut geen eenvoudige zaak, zeker omdat er behoorlijk wat mank loopt inzake maçonniek onderricht en vorming. Erger nog, soms ontbreekt dit aspect van de logewerking volledig bij gebrek aan geschikte leden om dit onderricht te geven en/of door een te volle logeagenda die andere prioriteiten vooropstelt. Ook de vaststelling dat specifieke maçonnieke lectuur véél te weinig wordt gelezen en gedreven zelfstudie amper voorkomt, heeft rampzalige gevolgen. Er verschijnen interessante maçonnieke tijdschriften (cfr. ‘Thoth’, ‘Ad Lumen’, ‘Franc-Maçonnerie’, ‘Le Maillon’ en andere) maar door hoeveel zusters en broeders worden ze gelezen? Mainstream dobbert alles dan verder op vage voorstellingen, verkeerde invullingen en ‘van horen zeggen’. Dat doet de maçonnieke beleving anno 2025 geen goed: zo ontstaat hoe langer hoe meer een ‘verdunning van een verdunning’ die dan soms ook nog gecombineerd wordt met de polariserende  loftrompet van ‘onze vorm van maçonnerie heeft het veel beter voor dan de andere’. Al het voorgaande samengeteld, stelt dit de initiatieke gemeenschappen en hun kwalitatief profiel behoorlijk onder druk.

—>  Het is dan ook begrijpelijk dat geleidelijk aan een generatie ingewijden ontstaat die niet goed meer weet waarover het eigenlijk gaat. Al de voorgaande krachten werken in zowel op het maçonnieke project als op de samenstellende zusters en broeders en veroorzaken een soort vorm- en normvervaging. Het inwijdingsgenootschap krijgt hoe langer hoe meer een invulling die ‘door al die bomen het bos nauwelijks nog ziet’. Terwijl de ene groep zich halsstarrig vastklampt aan een in wezen door de tijdsgeest achterhaalde historische verschijningsvorm, zijn er anderzijds tal van maçonnieke groepen die haast in het wilde weg beginnen experimenteren met een wirwar aan ‘moderniseringen’. Zowel het ene als het andere werkt bedreigend omdat men de wagen voor de paarden spant in plaats van eerst grondig na te denken over wat inwijding anno 2025 kan betekenen en wat de essentie is van het daarop volgend stappenplan om de pasingewijde naar een vorm van ‘menselijk meesterschap’ te begeleiden. Nieuwkomers verlangen trouwens naar die begeleiding en het mag dan ook niemand verrassen dat er spijtig genoeg onder hen heel wat zijn die afhaken omdat hun verlangen geen invulling krijgt. De relatie tussen de besloten wereld van ingewijden en de omhullende maatschappij krijgt dikwijls helaas veel te snel een vormgeving die onvoldoende afgewogen wordt. En dan laten we hard roepende actoren in hun naarstigheid nog terzijde. Ernstig, systematisch en zorgvuldig denkwerk is hier meer dan gewenst: wie initiatieke arbeid een wenkend perspectief wil geven, doet er goed aan niet overhaast tewerk te gaan, de decennialang betreden paden weloverwogen en rustig te actualiseren en het kader te verruimen tot een breed spectrum dat zich niet enkel binnen maar ook buiten het frame van de bestaande inwijdingsgenootschappen situeert. Het zou mijns inziens een goede zaak zijn om het opdelen in (polariserende) ‘categorieën’ (cfr. regulier versus irregulier, dogmatisch versus adogmatisch) te laten voor wat ze zijn (eerlijk gezegd, veel ‘kletskoek en gezwam’) en over te schakelen naar meer dynamiserende attitudes zoals ‘diversiteit’ en ‘inclusie’. Naast elementen uit de traditionele filosofische, ethische en historische wetenschappen, zal ongetwijfeld ook houvast gevonden worden  bij capita selecta uit de sociologie, culturele antropologie, politicologie, organisatieleer en andere wetenschappelijke disciplines. Een steengoede scenarist, dramaturg, linguïst, musicoloog zullen zeker van pas komen. Al te betweterige zusters en broeders evenals egotrippende maçonnieke functionarissen kun je beter thuis laten, zo niet gaan ze je bestendig voor de voeten lopen en aldus zorgvuldige besluitvorming vanuit hun betweterigheid hypothekeren. 

—>  De tijdsgeest is momenteel onderhevig aan zo’n heftige turbulenties dat een inslapend genootschap hier allerminst op z’n plaats is, wil men de bestaande inwijdingsgenootschappen enige relevantie – zowel naar de individuele zusters en broeders als naar de maatschappelijke context – geven. De mei ’68-beweging sijpelde in de jaren ’70 van de vorige eeuw met enige vertraging ook door in de maçonnieke wereld en leidde daar tot oprichting van loges – zoals o.m. de in Gent in 1965 opgerichte loge ‘Baken’ evenals de in 1966 opgerichte loge ‘Bevrijding’ – die maatschappelijke thema’s en acties een belangrijke plaats gaven in hun maçonniek project. Momenteel lopen er binnen de Gentse loges (en wellicht ook elders maar Gent heeft een bijzonder rijke logecultuur en wordt – met haar bijna 40 loges – wel eens – volkomen terecht – de maçonnieke hoofdstad van Vlaanderen genoemd) tal van maatschappelijk gerichte initiatieven (cfr. het ‘Jaarlijks Klimaattreffen’ op initiatief van de Gentse loge ‘Tegenlicht’ evenals bvb. het jaarlijks publiek symposium en debat van de Gentse loge ‘De Zwijger GLB’ dat in 2025 als thema heeft ‘Wie redt de democratie’) maar de waaier kan nog breder opengetrokken worden naar populisme, verrechtsing, enzovoort. Ook loges van het ‘Grootoosten van België’ en van de ‘Belgische Federatie van de internationale, gemengde vrijmetselaarsorde ‘Le Droit Humain’  zijn op dit vlak actief. Het is in dit perspectief uiterst interessant de wekelijkse nieuwsbrief ‘Bakenlicht’  van de Gentse BeF-LDH-loge ‘Baken’ eens grondig te bekijken. Het is mijns inziens een nieuwsbrief die aan de logeleden een boeiende inhoud weet aan te bieden en die bovendien getuigt van een brede en open blik op het ganse maçonnieke spectrum. Hij mag mijns inziens gerust een voorbeeld genoemd worden van een belangrijke dimensie van ‘maçonnieke vorming’ zowel inhoudelijk als omwille van zijn wekelijkse periodiciteit.

—>  Om dit onderdeel af te sluiten, wil ik nog één belangrijk punt van bezinning aanstippen. Het loont mijns inziens de moeite wetenschappelijk te onderzoeken hoe de wisselwerking verloopt tussen enerzijds de zuster of broeder, anderzijds de maçonnieke context waarbinnen zij of hij zich beweegt. Vormt het initiatiek traject inderdaad een geïnitieerde tot iemand die ‘meer mens is geworden dan zij of hij tevoren was’? In hoeverre was de attitude van ‘meer mens te willen worden’ reeds eerder aanwezig?  Werkt de participatie aan de maçonnieke leefwereld van opeenvolgende inwijdingen en hun specifieke ritualen als een soort ‘brandversneller’ die de sluimerende potenties verder naar boven haalt? Kortom, laten we voorzichtig zijn (en blijven) want het ophemelen van de bestaande initiatieke genootschappen zou wel eens averechts kunnen uitdraaien: niet alles is immers wat het voorwent te zijn…

                                                             *          *          *

+  DE NEFASTE GEVOLGEN VAN EEN ALSMAAR TOENEMENDE MAÇONNIEKE OVERBEVOLKING

—>  Er wordt te weinig stilgestaan bij het feit dat niet iedereen ‘inwijdbaar’ is en dat deze realiteit ook op een correcte wijze haar toepassing dient te vinden bij de evaluatie van kandidaturen. De té veel voorkomende manier van werken waarbij een meter of peter alles op alles zet om haar/zijn kandidaat – soms kost wat kost – te laten opnemen in de eigen (of soms in een andere) loge, berust vaak volkomen op los zand! En maar al te dikwijls wordt uiteindelijk enerzijds de betrokken kandidaat en anderzijds de loge in kwestie hiervan het slachtoffer! De euforie van het peterschap veroorzaakt hier en daar blindheid!

—>  Om de logeleden in staat te stellen elkaar op een harmonieuze manier te ontmoeten om hen zo met elkaar in verbinding en samenwerking te laten treden, is volgens mij een overzichtelijk ledenbestand van 40 à 70 leden een realistische grootteorde. Zowel in Nederland als in Frankrijk hanteert men deze leidraad vrij consequent. Té kleine loges (m.i. < 40 leden) komen vroeg of laat onder druk te staan omdat de noodzakelijke doorstroming hoe langer hoe moeizamer verloopt waardoor een vorm van ‘(functie)moeheid’ optreedt. Daarnaast komt ook hun economische leefbaarheid in het gedrang. In té grote loges (m.i. > 70 leden) gaat dan weer vaak de interne cohesie verloren omdat door het té grote ledenaantal diverse subgroepen ontstaan die elk hun eigen specificiteit en doelstellingen ontwikkelen die niet altijd convergeren met het belang van de loge in haar geheel. Jammer genoeg zijn er in België heel wat loges met een dergelijke omvang, soms tot boven de 200 leden!?!

—>  De instroom van nieuwe leden geschiedt soms op volkomen lukrake basis (o.a. vanuit  een ‘ons kent ons’ vertrekpunt) i.p.v. als resultante van een collectieve bezinning rond de bestaande uitgangssituatie en de na te streven doelstellingen: “Waar staan we en waar willen we naartoe?”). Men gaat daarbij voorbij aan de te realiseren complementariteit: Hoe is onze huidige leeftijds-opbouw? Waar zitten er ‘gaten’? Is de belangrijke transgenerationele opbouw en de daarbij wederzijds bevruchtende interactie verzekerd? Idem dito met de spreiding van verschillende beroepscategorieën en culturele achtergronden? Maar ook van recent afgestudeerden en gepensioneerden? Is er voldoende evenwicht tussen zusters en broeders? Is dit een ‘blanke’ loge of is er ook op dit vlak voldoende diversiteit aanwezig of minstens in het vooruitzicht? Daarnaast is het van groot belang dat er zich een collectief gedeeld en onderbouwd bewustzijn vormt rond de specifieke toetsstenen waarnaar de instroomprocedure dient te peilen. Er is ook noodzaak aan een weloverwogen stappenplan over de wijze waarop nieuwkomers worden getoetst en – na hun opname – verder worden begeleid om ze hun plaats te laten innemen in het menselijk weefsel van de betrokken loge.

—>  Veel leden van inwijdingsgenootschappen zoals vrijmetselarij, weefsterarbeid of andere, hebben vaak weinig of geen beeld van wat inwijdingsarbeid juist inhoudt als je deze arbeid vanuit een cultureel antropologische wetenschappelijke invalshoek benadert. Als er geen kennis en inzicht aanwezig is noch over de ‘motor’, noch over de ‘brandstof’, noch over de specificiteit van inwijdingsarbeid, hoe kan dan verwacht worden dat deze ‘arbeid’ het niveau van een besloten debatclub in een rituele nepverpakking zou overstijgen?

—>  Nogal wat inwijdingsgenootschappen zijn in het spoor van ‘kwantiteit’ en de daarbij horende onvermijdelijke ‘organisatievormen’ terechtgekomen. Jammer genoeg want een goede stelregel is en blijft ‘minder is in feite meer’. Bovendien duiken diverse valkuilen uit de organisatieleer en de leiderschapstijlen onverbiddelijk op, de ene al wat sneller dan de andere. Spanningsvelden op basis van ‘basis versus elite’, vormen van hiërarchisering, standaardiserende regelgeving en procedures, controle en sanctionering van gedrag dat niet ‘copy conform het boekje’ verloopt, persoonlijke verankering in functies, enzovoort bepalen het logeleven in negatieve zin.

+  DE DWINGENDE NOODZAAK VAN MAÇONNIEK ONDERRICHT EN VORMING

—>  ‘Onderricht’ (= als het ware ‘maçonniek onderwijs’ maar dan geen ex cathedra onderricht maar een pedagogisch onderbouwd onderricht waarin dialoog, zelfstudie en actieve leersituaties worden gecreëerd) en ‘vorming’ (= een nog veel dynamischer en complexer proces waarbij de ingewijde participeert in een groeiproces dat haar of hem introduceert in een specifieke maçonnieke ingesteldheid: men zou kunnen spreken van maçonnieke attitudevorming) zijn weliswaar twee van elkaar te onderscheiden processen maar in de praktijk gaan zij hand in hand. De ene component blijft onvolledig zonder de andere. Samen genomen beogen zij een totaalproces op het niveau van persoonlijkheidsvorming van de leden.

—>  Het is verontrustend vast te stellen dat in vele loges maçonniek onderricht  niet de aandacht krijgt die het nodig heeft. Dat is – zéker op langere termijn beschouwd – absoluut niet zonder risico’s. Het is te vergelijken met het trachten te spreken van een taal zonder er de woordenschat noch de grammatica van te kennen. Het resultaat is dat de betrokkene blijft brabbelen en stotteren maar in feite de taal en haar specifieke rijkdom niet beheerst. In een volgend stadium in het ontwikkelingscurriculum van zulke loges ontstaat bij haar leden het onvermogen om de inwijdingsarbeid aan nieuwe generaties door te geven bij gebrek aan elementaire kennis. Het enige wat overblijft is het betekenisloos kopiëren van handelingen, rituaalteksten, gezegden. Bovendien is er na verloop van tijd niemand meer die de essentie kent. “Laten we onze rituelen en de bijhorende rituaalteksten ‘moderniseren’ en schrappen wat niet essentieel is.” groeit dan als gedachte. Dat is helaas de snelste weg naar een haast onvermijdelijke devaluatie van maçonnieke arbeid. ‘Moderniseren’ – ‘actualiseren’ zou een betere naamkeuze zijn – kan, maar daar is heel veel kennis van maçonnerie en grondig inzicht voor nodig.

—>  Het aspect van ‘maçonnieke vorming’ vergt inderdaad diepgaande kennis van zaken. Hier gaat het om ‘attitudevorming’: de ingewijde kent niet enkel de grammatica en de woordenschat maar wordt ook ‘bewogen’ door haar of zijn ‘betrokkenheid’. Lectuur, bezoeken aan andere loges van o.m. andere maçonnieke ‘culturen’, het uitbreken uit de ‘beschränkung’ van de lokale logegemeenschap, de participatie aan een zo breed mogelijke waaier van maçonnieke en paramaçonnieke activiteiten, studie- en ontmoetingsdagen, lezingencycli, enzovoort zijn ingrediënten van zo’n ontwikkeling. Zonder dit, blijft de ingewijde maar een schraal ‘lid van’ : zij of hij blijft hangen in de buitenste schil zonder door te dringen tot de wezenlijke kern. Het traject van leerling naar meester-vrijmetselaar wordt zo eerder een soort vlakke loopbaan dan een inhoudelijk groeiproces. Uit een enquête die ik destijds voerde met een aantal maçonnieke ervaringsdeskundigen met een behoorlijke staat van dienst en een scherp inzicht, kwam naar voren dat zij de inschatting maakten dat maximaal 25 % van de huidige vrijmetselaren ‘ingewijden in de volle betekenis van het woord’ zijn en de overige 75 % zijn hooguit leden van vrijmetselaarsverenigingen. En dan heb ik bovenstaande percentages nog naar boven afgerond om het voordeel van de twijfel te geven…

+ DE SPOELING VERDUNT ZICH MET EEN BEANGSTIGENDE SNELHEID

—> Mijn grootste bezorgdheid gaat vooral over een bredere, kwaliteits-bedreigende ’trend’, althans zoals ik die – helaas, driewerf helaas – in het Vlaamse maçonnieke landschap in toenemende mate meen te zien opduiken. Ik heb het dan over de beangstigend ondermaatse wijze waarop alles her en der wordt ingevuld o.m. als gevolg van onzorgvuldige (gebrek aan individueel en collectieve voorbereide) inwijdingen, egotripperij al dan niet gecombineerd met een overdosis geldingsdrang evenals de sluipende ondermijning door mank lopend maçonniek onderricht en vorming. Het kwaliteitsprofiel van té veel loges gaat hieronder soms zwaar gebukt want dit brengt een uit zichzelf steeds maar versnellende neerwaartse spiraal op gang. Het inwijdingsgenootschap vervelt er op die manier tot een sociaal netwerk met een hoog ‘ons kent ons’-gehalte en bijhorende simplismen, vooroordelen, stereotypen en – hoe kan het ook anders – vormen van interne discriminatie.

 

—>  De combinatie van een onzorgvuldig (lees gerust: amateuristisch) begeleid instroomproces en het al te dikwijls ontbreken van een onderbouwde visie op maçonniek onderricht en vorming, brengen inderdaad deze gevaarlijke spiraal op gang. De risico’s van dit gecombineerd falen heeft als gevolg dat de ‘maçonnieke spoeling’ alsmaar dunner wordt. Er komt immers een moment waarop deze zwakke schakels gevraagd wordt het roer van hun loge over te nemen of hierbij spilfuncties in te vullen. Hoe kunnen zij een diepgang inzake logewerking geven als zij zelf niet deze vereiste diepgang hebben opgebouwd? 

 

—>  Het zich tooien met een schootsvel en witte handschoenen maakt van de drager ervan lang nog geen ‘vrijmetselaar’ of ‘weefster’. Een tempelachtige setting leidt evenmin automatisch tot kwalitatieve maçonnieke arbeid. Je zou in die gevallen kunnen spreken van een ‘profanering’ van maçonnieke arbeid waardoor de kennis van het aanvankelijke concept en zijn specifieke dynamiek alsmaar meer en meer uitgehold geraakt. 

—>  Een grote bedreiging met betrekking tot ‘uitholling’ in deze tijd schuilt volgens mij ook in de zelfverheerlijking die binnen de tempelmuren van sommige  loges heerst. De afscherming van de ‘buitenwereld’, het euforisch welbehagen zoals dat binnen een besloten groep gelijkgestemden ontstaat, de wereldwijde vertakking van diverse logeculturen, de snelheid waarmee een ‘ons kent ons’ gevoel ontstaat bij bezoeken her en der, brengen zusters en broeders dicht bij een soort ‘collectieve bedrijfsblindheid’ die steeds weer opnieuw als een welgemikt dopamineshot door hen raast. Daardoor vernauwt hun blik zich tot de beperkte wereld binnen de muren van de logegebouwen waardoor zij dreigen het belang van hun plaats in de buitenwereld uit het oog te verliezen. Van een ethisch project gericht op menselijke ontplooiing in groepsverband neigt alles meer in de richting van een soort consumentisme, van een lidmaatschap van een afgeschermde ‘wereld op zich’. Daarmee zeg ik absoluut niet dat er geen vormen van kwalitatieve maçonnieke arbeid bestaan, dat alle zusters en broeders zich zouden bezondigen aan de bedreigende verdunning van de idealen inzake een ethiek van het mens-zijn. Ik probeer enkel de richting te duiden van waaruit het gevaar van vervlakking, verwatering, consumentisme komt opzetten. Dat doe ik vanuit een grote bewogenheid, vanuit een sterke betrokkenheid, ja vanuit een uitgesproken liefde voor het maçonniek project. Ik ben geen maçonnieke missionaris maar zie het als een opdracht van ieder van ons om te zien wat er te zien is en om te zeggen wat er te zeggen valt waarbij op een constructieve wijze zowel het positieve als het negatieve belicht wordt.

+  BREUKLIJNEN EN VERKAVELINGEN MAKEN VAN MULTICULTUREEL REIZEN DOORHEEN HET MAÇONNIEKE LANDSCHAP EEN HEUSE HINDERNISSENLOOP

—>  Het naast elkaar bestaan van verschillende maçonnieke ‘culturen’ opent het verrijkend perspectief van de diversiteit. Het kennismaken met deze dimensie binnen het bestaande maçonnieke landschap heeft een bijzonder krachtige vormende waarde. De reizende zusters of broeders ontmoeten immers ‘anderen die niet zijn zoals zijzelf’. Dat geeft haar of hem een dieper inzicht in de vele mogelijke variaties op één zelfde thema waaruit vervolgens verbondenheid en samenwerking kunnen groeien. Het ‘Center of Union’ en de ‘Universele Broederketen die de ganse Aarde omspant’, krijgen hierdoor een concrete invulling. Helaas is polarisatie blijkbaar een sterk aanwezige valkuil die ondermijnend werkt en een sterkere kracht vormt dan de wil om grenzen te overschrijden om zo ‘de ander’ de hand te kunnen reiken.

—>  Kunstmatige breuklijnen worden o.m. gecreëerd door een rampzalig web van zogenaamde regulariteitsvoorschriften en vriendschapsverdragen. Wat hierbij op het eerste gezicht lijkt op ‘bescherming en regulering’ (sic!) van  ‘omgang tussen leden van diverse organisatieverbanden’, wordt  bij nader toezien een instrument van maçonnieke (geo)politiek, strategie en diplomatie gecombineerd met een eventuele interne controle van de ‘bewegingen’ van de aangesloten leden. Draai of keer het zoals je wil maar dit alles is uiteraard maçonnerie onwaardig. Zowel het afsluiten als het verbreken van dergelijke verdragen staat immers haaks op het concept van een universele broederketen. Waar de wensdroom van ‘Alle Menschen werden Brüder’  leidraad zou moeten zijn binnen een maçonnieke humanistische ethiek, blijkt de dagelijkse realiteit helaas met regelmaat meer weg te hebben van pragmatisme en profane machtspolitiek die het maçonnieke project zwaar hypothekeren. Exclusie wint het op inclusie, het maçonnieke landschap lijkt wel een lappendeken van kleine en grotere ‘koninkrijkjes’.

—> Het meest rigide systeem van af- en bescherming is ontegensprekelijk de door de Acts van respectievelijk 7 september 1929 en 7 september 1949 ingevoerde ‘regulariteit’ binnen de Angelsaksische vrijmetselarij. Het is vergelijkbaar met de Berlijnse muur uit de periode 1961 – 1989 die elke grensoverschrijding tussen Oost en West quasi onmogelijk maakte. Een analyse van de diverse artikelen van deze beide Acts toont duidelijk aan dat het hier in de eerste plaats om organisatiebeschermende maatregelen (= 13 van de 19 artikelen) gaat en veel minder over maçonniek inhoudelijke (= 6 van de 19 artikelen). Sommige aangesloten grootloges menen bovendien hierbij vormen van afwijkend gedrag met schorsingen of uitsluitingen te moeten sanctioneren. Zo worden zogenaamde vrije broeders als het ware ‘gevangenen’ van één systeem waardoor zij quasi afgesloten worden van de kennismaking met andere maçonnieke ‘culturen’ en bijgevolg ook van de verrijkende waarde van diversiteit. Helaas… ook niet-reguliere organisaties hebben – soms de neiging een eigen ‘regulariteit’ te ontwikkelen en  hypothekeren op deze manier de essentiële keten van ontmoeting -> verbinding -> samenwerking. Het is een bizarre realiteit dat tal van inwijdingsgenootschappen in hun dagelijkse praxis vroeg of laat juist dat gedrag ontwikkelen waarvan zij in hun beginselverklaring  stellen het te willen overstijgen… Het is onmogelijk een mens – bij uitbreiding dus ook de ingewijde – tot volle ontplooiing te laten evolueren indien hij afgescheiden wordt gehouden van ‘anderen die niet zijn zoals hijzelf’. De vormende waarde van het kennismaken, omgaan en de bijhorende interactie doen haar of hem het aanvankelijk groepsverband (= gezin, familie, groep, club, loge, enzovoort) overstijgen. Elke ‘gevangenschap’, elke polarisatie draait uiteindelijk nefast uit voor hemzelf als ‘universele mens’. 

                                             *               *              *                                                                                                                                                                                                                                          

+  INWIJDINGSARBEID ALS WENKEND TOEKOMSTPERSPECTIEF

—>  Het is mijns inziens een simplistische benadering om de initiatieke arbeid als achterhaald te beschouwen. De initiatieke methode staat in wezen buiten de tijd en heeft wel degelijk een constructieve waarde voor de hedendaagse mens. Wat wel noodzakelijk is, is dat vrijmetselarij en weefsterarbeid bereid zijn een grondige en vooral deskundige analyse te maken van hun huidige werking en bereid zijn deze opnieuw te ijken, te actualiseren. Het haast blindelings kopiëren en star vasthouden aan historische modellen en dito geplogenheden, leidt tot steriliteit en dat biedt weinig perspectief voor de  zoekende burger anno 2025 die geen behoefte heeft aan een folkloristisch vertoon maar verlangt naar een ‘wenkend’ perspectief. Een herijking dient de initiatieke cyclus te valoriseren, te actualiseren en uit te diepen zodat het ‘meer mens zijn’ zijn vruchten draagt in de maatschappelijke context. De maçonnieke methode kan zingeving naar een praxis brengen die actueel is, zeker in het hedendaags tijdsgewricht dat ‘de mens in zijn wereld’ zwaar op de proef stelt.

+  EEN DWINGENDE NOODZAAK :  OPRECHTE DWARSVERBINDINGEN

—>  In de voorgaande analyse werd het groot belang van ‘verbinding’ tussen verschillende logegemeenschappen maar ook tussen hun respectieve organisatieverbanden benadrukt. Volgens mij is ‘verbinding’ tussen logegemeenschappen en hun maatschappelijke ‘buitenwereld’ ook belangrijk. Helaas… hoe belangrijk verbinding ook is als hoeksteen van maçonnieke arbeid, in de realiteit komt er te weinig van terecht: polarisatie wint het té dikwijls – en ook té gemakkelijk – van verbinding. Verbinding wordt te weinig benadrukt, laat staan systematisch beoefend. De valse lokroep van polarisatie klinkt sterker door en verkavelt zodoende ook het maçonnieke landschap. Dit treft zowel loges onderling als hun organisatieverbanden. Jammer maar helaas waar. Zoals eerder vermeld heeft de Angelsaksische vrijmetselarij met haar beide Acts uit respectievelijk 1929 en 1949 een metersdikke Berlijnse muur opgetrokken rond haar arbeid en claimt daarbij zonder verpinken de enige ware – m.a.w. de ‘reguliere’ – te zijn. De zogenaamde adogmatische vrijmetselarij kent wel enkele geïnstitutionaliseerde dwarsverbindingen zoals de ‘Gemeenschappelijke Verklaring van de (Belgische) irreguliere Obediënties van Vrijmetselaarsloges’ uit 1989, in 1992 uitgebreid tot acht ondertekenaars uit België en Frankrijk en nadien nog aangevuld met de aansluiting van de in 2006 opgerichte ‘Lithos Confederatie van Loges’ . In België is er regelmatig overleg tussen de grootmeesters van deze vier obediënties aangevuld met de voorzitter van deze Confederatie van Loges. Eerlijkheid gebiedt hier om te stellen dat naast deze vormen van (officiële) verbindingen er helaas subtiele polarisaties onderhuids verder blijven leven. En… als je een organisatie kunt toelaten, kun je ze ook uitsluiten. Zo blijft het een kat- en muisspel dat op pijnlijke wijze aantoont hoezeer theorie en praktijk uit elkaar kunnen liggen… ook bij zogenaamde ‘verheven’ genootschappen. Hetzelfde kan gesteld worden in verband met ‘vriendschapsverdragen’: ze wekken de indruk van wijd gespreide armen maar blijken bij nader toezien jammer genoeg soms ook ‘besmet’ te zijn door een strategische component.

—>  Los van maçonnieke organisatieverbanden bestaan er gelukkig een aantal paramaçonnieke initiatieven die hetzij regionaal, hetzij landelijk hun actieradius ontplooien. Wanneer we Vlaanderen en Nederland bekijken, is het lijstje als volgt: ‘Ars Macionica’ (Brussel), ‘Studiekring Trigonum Coronatum’ (Antwerpen), ‘Zaterdaglezingen voor Vrijmetselaren’ (Gent), ‘Lezingen Spinoza’ (Oostkamp), ‘Athena Lezingen’ (Antwerpen), ‘Ritus en Tempelbouw’ (zetel Bilthoven, actief in Nederland en Vlaanderen), ‘De Nieuwe Lantaarn’ (zetel Bilthoven, vooral maar niet uitsluitend actief in Nederland), ‘Le Chemin’ (zetel Bilthoven, eveneens vooral maar niet uitsluitend actief in Nederland). Zij bieden – zonder enig onderscheid inzake hun maçonnieke thuishavens – ontmoetingsplatformen aan zusters en broeders uit alle maçonnieke organisatieverbanden aan. Ze staan er in de meerderheid van de gevallen ook volkomen onafhankelijk van. Vanuit mijn observatie en ervaring durf ik stellen dat deze initiatieven ook de enige zijn die een kans maken om een effectieve verbinding tussen zusters en broeders te realiseren, juist omdat zij niet gevangen zitten in een web van interne of internationale regelgeving en over het algemeen ook geen participanten zijn in strategische spelletjes die de boel uiteindelijk verknallen omdat ze verbinding eerder tegenwerken dan er protagonist van te zijn. Deze laatste rol wordt wel degelijk en vanuit een sterke innerlijke overtuiging ingevuld door de Nederlandse maçonnieke stichting ‘Ritus en Tempelbouw’ die sinds 2010 haar basis verbreed heeft van Nederland naar het ganse maçonnieke landschap van de Lage Landen, dus inclusief Vlaanderen. Maar dat niet alleen: deze maçonnieke stichting trok het register verder in de breedte open en verwelkomde ook zusters van twee andere inwijdingsordes, namelijk de ‘Orde van Weefsters. Vita Feminea Textura’ en de ‘Orde van Vrije Weefsters. Vinculum Verum’. Zo is ‘Ritus en Tempelbouw’ ijverig bezig een agora uit te bouwen waar alle ingewijden elkaar zonder het minste onderscheid en op basis van volkomen gelijkwaardigheid kunnen ontmoeten, in verbinding treden en vormen van samenwerking uitwerken. Haar maçonniek studietijdschrift ‘Thoth’ vervult met zijn brede waaier aan bijdragen van auteurs uit Nederland en Vlaanderen hierin een ondersteunende en verbindende rol. De ‘R&T-Denktank’  is eveneens een lovenswaardig initiatief: deze maçonnieke denktank richt jaarlijks zowel in Nederland als in Vlaanderen  ‘Ambulante Ateliers’ in die ‘out of the box’ en ‘into life and society’ activiteiten ontplooien. De belangrijkste vaardigheid die ‘Ritus en Tempelbouw’ zich bij dit alles goed voor ogen dient te houden betreft de combinatie van het DNA van respectievelijk de Nederlandse met de Vlaamse maçonnieke cultuur. Zij leggen elk andere klemtonen maar hebben ook een andere voorgeschiedenis. Daar is op zichzelf absoluut niks mis mee maar een stichting die bruggen wil (blijven) slaan in het maçonnieke landschap van de Lage Landen moet daar bestendig oog en oor voor hebben, zo niet loopt het mis. Vanuit een wederzijds respect voor elkaar, is en blijft het steeds weer opnieuw een empathisch zoeken naar de meest passende grootste gemene deler. Dat is dé conditio sine qua non!

+  EEN WENKEND PERSPECTIEF :  DE AUTONOME GEMENGDE LOGE

—>  Ik heb voldoende organisatieleer en leiderschapsstijlen bestudeerd om erg op mijn hoede te zijn voor mechanismen die binnen organisaties – van welke aard ook – geleidelijk ontstaan, stilaan maar zeker hun weg zoeken om zich uiteindelijk binnen de betrokken organisatie te installeren: (over)regulering, subgroepen en frontvorming, invloed- en machtsstreven, manipulatie, hiërarchisering, functie-innesteling, autocratisch versus verbindend  leiderschap, enzovoort. Zeldzaam zijn de organisaties die dynamische modellen hanteren om te verhinderen dat dergelijke negatieve ontwikkelingen ook bij hen hun intrede doen. Dat vergt niet enkel een ingebouwde controle, evaluatie en bijsturing maar het gaat ook uit van een mentaliteit, een attitude bij leiding, kader en basis die er op gericht is het ontstaan en de groei van contraproductieve processen permanent te evalueren, te remediëren en op te volgen. Bovendien is er geen enkele reden om aan te nemen dat uitgerekend maçonnieke organisaties buiten een dergelijke ontwikkelingen zouden vallen. Niets is minder waar: de ’traditionele’ en meestal autocratisch geleide maçonnieke organisatie staat in deze volkomen gelijk aan haar profane evenknie. Bovendien betekent dit jammer genoeg een verkeken kans om zich niet zozeer door een profane aanpak te laten inspireren maar wel door maçonnieke ethiek. Sommige maçonnieke organisatieverbanden zijn voor het overgrote deel gebouwd op profane principes, inclusief controle, sanctionering, rechtspraak met bijhorende beroepsmogelijkheden…

—>  In de voorbije 45 jaren heb ik een vrij degelijk inzicht gekregen in het dagelijks functioneren van maçonnieke organisatieverbanden, waardoor ik een behoorlijk voorbehoud maak ten opzichte van veranderingsprocessen van binnen uit. Anderzijds heb ik ook ruimschoots kunnen vaststellen dat veranderingsbewegingen nooit heel lang hebben kunnen overleven binnen de (over)heersende organisatiecultuur. Zo verging het met ‘Het Réveil’, een Nederlandse actualiseringsbeweging uitgaande van de Amsterdamse loge ‘Concordia Vincit Animos’ (arbeidend onder het ‘Grootoosten der Nederlanden’) in de jaren 1960-1963. Zo verging het recent – meer dan 80 jaar na de pogingen van ‘Het Réveil’ – met de voorstellen inzake het opnemen van vrouwen in loges van het ‘Grootoosten der Nederlanden’ – uitgaande van een aantal broeders van loge ‘Het Roosvenster’ uit Lelystad in juni 2024. De bestuurlijke reactie kwam er op neer dat de betrokkenen de vrije keuze hadden elders te vinden wat binnen de Angelsaksische vrijmetselarij onder geen beding verwezenlijkbaar was: “Als het je hier niet bevalt, pak in en vertrek!” luidde de vastberaden stem van en grootmeester. In Vlaanderen was eenzelfde patroon te zien toen loges van de ‘Grootloge van België’ op diverse momenten en plaatsen probeerden het exclusief masculiene karakter van hun obediëntie te doorbreken. Het ‘Grootoosten van België’ koos er dan weer voor de geit en de kool te sparen en nam in februari 2020 een organisatiestructuur aan waarbij masculiene, feminiene en gemengde loges hun plaats krijgen binnen de bestaande obediëntie. Een (strategische?) poging om de tijdsgeest bij te blijven maar toch tezelfdertijd om het overwegend groot aantal voorstaanders van een masculien GOB niet al te zeer voor het hoofd te stoten. Maar goed ook want een aantal GOB-loges stond klaar om te vertrekken om ofwel het gemengde ‘Le Droit Humain’, ofwel ‘Lithos Confederatie van Loges’ te vervoegen. Een dergelijke numerieke ‘aderlating’ wou het GOB zichzelf niet aandoen, wat best te begrijpen valt als je weet dat het GOB het Belgisch maçonniek ‘marktleiderschap’ koestert. Ook op logeniveau maken initiatieven inzake vernieuwing en actualisering soms bitter weinig kans omdat ook hier tal van bewakingsmechanismen (bijvoorbeeld als een ‘raad van gewezen achtbare meesters’) in actie treden om de bestaande gang van zaken te beschermen.

—>  Dit brengt ons bij het fundamenteel spanningsveld tussen enerzijds vrijheid en de hiervoor noodzakelijke autonomie, anderzijds de behoefte aan regulering en controle. Het is een goede zaak er rekening mee te houden dat een organisatie ook een eigen ontwikkelingsverloop kent. Een meerderheid kiest voor vrijheid en autonomie maar op het ogenblik dat deze diversiteit als ‘chaos’ wordt gepercipieerd, duikt ‘regulering’ bliksemsnel op als ordenende methodiek. Eerst voorzichtig en eerder op deelgebieden gericht, nadien versnellend en alles hoe langer hoe meer aantastend. Zo tuimelen vrijheid en autonomie in de valkuil van regulering en controle. Sanctionering beklimt de uitkijktoren en maakt zich op om in te grijpen. Zowel als grenswachters (“Héla, maar die komt er bij ons niet in!”) als onder de gedaante van inspecteurs en maçonnieke rechters. Zuurstofgebrek manifesteert zich, het leefklimaat wordt benauwder… 

—>  De zogenaamd adogmatische Belgische vrijmetselarij heeft het zeer moeilijk om uitgerekend het begrip ‘adogmatisme’ helder te formuleren, misschien omdat er juist zoveel betekenissen en interpretaties aan het concept ‘adogmatisch’ kunnen gegeven worden. Het is volgens mij beter die strakke en verwarrende terminologie terzijde te laten en te opteren voor een dynamiek van ‘diversiteit en inclusie’ omdat dit veel meer het ‘wenken van een toekomstperspectief’ aangeeft. De benaming ‘adogmatisch’ is al even polariserend als de Angelsaksische ‘regulariteit’ en straalt mijns inziens te veel de verwijzing naar een denken in  ‘categorieën’ uit. Waarom oude denkpatronen alsmaar blijven hanteren en telkens opnieuw vastlopen in eindeloos platgetreden paden? Geef inwijdingsarbeid nu toch eens eindelijk een fris en hedendaags gelaat! De kans ligt voor het grijpen maar ze wordt nauwelijks benut: men kijkt veel te veel in de achteruitkijkspiegel terwijl een wenkend perspectief juist door de voorruit te zien is! Bovendien waarschuw ik met regelmaat: “Onderschat het dogmatisme van adogmatici niet!”

—> In de Lage Landen zagen twee initiatieven het licht die van bij hun oprichting bewust trachtten een ander parcours te bewandelen. In België werd in 2006  ‘Lithos Confederatie van Loges’ opgericht en in Nederland ontstak de autonome gemengde loge ‘Ziggurat’  in 2013 in Den Haag haar lichten. Beide initiatieven mochten al vanaf hun oprichting rekenen op een negatieve framing evenals reacties van afkeuring en misprijzen vanuit de andere obediënties maar de Lithos CL-adepten volhardden in de missie die zij zichzelf hadden toebedeeld, ook al werden daarbij toegevingen gedaan die het eigen DNA van deze jonge confederatie hypothekeerden. De reeds actieve Belgische obediënties (GOB, LDH-BE, GLB en VGLB) stonden immers niet te juichen met de nieuwkomer ‘Lithos Confederatie van Loges’ en hebben er heel wat aan gedaan om de jonge confederatie zoveel als mogelijk te kneden naar eigen obediëntieel model. Het ‘Grootoosten van België’  maakte als oudste en grootste obediëntie daarbij gebruik van haar ‘marktoverwicht’ om hierin het hoge woord te voeren, soms met weinig of geheel zonder ruggespraak met de andere Belgische obediënties (BeF-LDH, GLB en VGLB). Het ‘Grootoosten van Luxemburg’ met zijn drie Belgische loges was de enige die ‘Lithos Confederatie van Loges’ steunde. Hier ligt ongetwijfeld een mooi onderzoeksproject voor een maçonnieke sociale wetenschapper om dit eens ten gronde uit te spitten: wie argeloos gelooft dat maçonnerie enerzijds, politicologie, strategie, diplomatie, sociale psychologie en organisatieleer anderzijds niets met elkaar te maken hebben, zou daaruit ongetwijfeld veel kunnen bijleren. Laten we onszelf niets wijsmaken: hoe verheven de doelstellingen ook mogen geformuleerd zijn, hoe kwaliteitsvol rituaalteksten ook op punt zijn gezet, als organisatieverband ontsnappen onze inwijdingsgenootschappen niet aan wetmatigheden en functioneringskrachten die ‘organisaties’ in het algemeen zouden overstijgen.  ‘Lithos Confederatie van Loges’ is inmiddels uitgegroeid tot een organisatie met 42 autonome loges in een evenwichtige landelijk spreiding en bijna 2.000 leden. 

—>  Maar… dit succesverhaal staat momenteel – zonder dat de leden er ten volle rekenschap van hebben – aan de rand van de zojuist beschreven valkuil van vrijheid versus regelgeving. Om meer vat te hebben – maar waardoor de beginselen van vrijheid en autonomie ingeperkt gaan worden – op de instroom van nieuwe aanvragen, is een groep van mening dat het gewenste profiel duidelijker moet gedefinieerd worden in statutaire, reglementaire teksten en procedures. Hier zit nu uitgerekend een gevaarlijke knoop: het spanningsveld tussen ‘vrijheid’ en ‘regulering’ is complex, maar toch zijn er invalshoeken die deze thematiek constructief benaderen. Eén van de oudste en bloeiendste (meer dan 300 leden en een zéér hoog maçonniek kwaliteitsprofiel) kapittels van België ‘La Parfaite Union’ heeft sinds haar oprichting op 2 maart 1807 – dat is nota bene meer dan 200 jaar geleden – nooit een reglement gehad! Een uitzwerming ervan – het kapittel ‘Frères de Pensée Libre’ in Tournai – evenmin. Wat ‘Lithos Confederatie van Loges’ betreft gaan de aanhangers van verdere reglementering de richting uit van een vorm van ‘identiteitsconformiteit’ – een richting waar exclusie en aansluitende  denkpatronen zich gaarne in zullen nestelen – in plaats van – gedurfd, zéker in deze tijden van polarisatie – voor inclusieve diversiteit te opteren. Dat zou bijzonder, maar dan ook bijzonder jammer zijn want binnen de Belgische vrijmetselarij is ‘Lithos Confederatie van Loges’  mijns inziens het enige wenkende toekomstperspectief dat zich aandient: grijp deze unieke kans en laat ze u niet ontglippen! Deze ‘confederatie’ is immers gebouwd op een interactiemodel dat gebaseerd is op een veelheid van culturen, rites en invalshoeken die bijzonder verrijkend kan zijn. Het té veel en té voortdurend bezig zijn met reglementen werkt niet enkel verstikkend maar gaat ten koste van de tijd die nodig is om de zo noodzakelijke interactie te voeden, om de ontmoeting binnen deze diversiteit te bevorderen.  Antoine de Saint-Exupérie omschreef het prachtig met zijn bekende uitspraak “Als u van mij verschilt, mijn broeder, schaadt u mij niet, integendeel u verrijkt mij”. Als het mij te doen stond zou ik krachtdadig opteren voor diversiteit, openheid, inclusie en verbinding want uitgerekend daarin zit voor ‘Lithos Confederatie van Loges’  de ‘wenkende’ dimensie van haar toekomstperspectief. Van al het overige hebben we al ruimschoots genoeg gehad, meer zelfs: we hebben er ons van afgekeerd. Terecht, me dunkt. Maar… “Let op want ook  adogmatici neigen in hun ijver met oogkleppen op een eigen dogmatiek, een eigen regulariteit te ontwikkelen” reik ik al eens ter overweging aan… Ik laat het hier bij deze drie puntjes: het vervolg van dit verhaal wordt immers – zoals het hoort – door de algemene vergadering van ‘Lithos Confederatie van Loges’ zelf geschreven. In elk geval vormen dit soort mechanismen en fenomenen een uitermate interessant onderzoeksgebied voor maçonnieke sociologen en organisatiedeskundigen.

—> Het Haagse ‘Ziggurat’ volgt dan weer kordaat en consequent het eigen vooropgesteld traject. Dat is iets eenvoudiger omdat het hier om één loge gaat en dus over een kleiner aantal betrokkenen handelt: de gedachtewisseling is directer. De eindeloze discussies elders over het al dan niet opnemen van vrouwen werd hier snel beslecht: een maçonnieke loge opgericht in de 21ste eeuw kon en zou niet anders dan gemengd zijn: punt, einde discussie. Wat elders decennia lang een discussiepunt is en de basis van een eindeloos getouwtrek was, werd door de oprichters van ‘Ziggurat’ van bij de start met één pennentrek beslist. Gelijk hebben zij. Hoe is het mogelijk in deze tijd nog eindeloze discussies te houden over het opnemen van nieuwe zusters of het toelaten van bezoekende zusters? Deze elementaire diversiteit maakt een loge niet beter, ze maakt de loge pas echt volmaakt! ‘Ziggurat’ heeft altijd haar autonomie hoog in het vaandel gevoerd, goed wetende dat dit haar leven niet eenvoudiger zou maken. Een idee om samen met twee andere Nederlandse loges een soort minikoepel in het leven te roepen, werd uiteindelijk niet weerhouden. Teveel gedoe om een relatief beperkte meerwaarde. Ook de ogenschijnlijk aantrekkelijke gedachte om toe te treden tot het Belgische ‘Lithos Confederatie van Loges’  (dat reeds buitenlandse loges onder haar leden heeft) werd finaal door ‘Ziggurat’ ingetrokken omdat men de ontmoeting tussen leden van verschillende levensbeschouwingen niet wilde onmogelijk maken door een té scherpe aflijning van de terminologie ‘adogmatisch’ die binnen ‘Lithos Confederatie van Loges’ opgang maakt. Een van de medeoprichters van ‘Ziggurat’  formuleerde hun standpunt glashelder: ” De loge ‘Ziggurat’ heeft er ondubbelzinnig voor gekozen de noodzakelijke ruimte te geven voor meerdere perspectieven en haar leden een intrinsieke nieuwsgierigheid naar en belangstelling voor elkaar als de mensen die zij zijn, te gunnen.” Dit is naar mijn gevoel voor de volle 100 % duidelijke maçonnieke taal! Bovendien is het een belangrijk aandeel in mijn motivering om als Vlaams buitenlid ‘ZIGGURAT’ blijvend te steunen.                                                

                                                     *          *         *  

BESLUIT

Na 45 jaar lidmaatschap van onze orde hou ik steevast aan mijn uitspraak “Vrijmetselarij is een prachtig en krachtig menselijk project maar in mensenhanden gegeven, wordt het jammer genoeg té dikwijls een zootje”. Deze kritische visie wil absoluut geen negatieve eindconclusie zijn maar wel een realistische observatie van een geduldig en bewogen lid van onze orde. Mijn ‘inslaapstelling op eigen verzoek’ van 17 november 2024 is dan ook niet te interpreteren als een zich afwenden van, wel van het stellen van andere prioriteiten die zich bij mij als kandidaat 80-jarige opdringen. Mijn levenstijd begint te korten en er rest mij nog wel een en ander te doen. 

Om kort te zijn: zusters en broeders slaan al te gaarne een euforisch traject in waarbij deze euforie hen dikwijls verhindert om stil te staan bij een realistische kijk op de hedendaagse inwijdingsgenootschappen, in casu vrijmetselarij en weefsterarbeid. Dat realisme is juist broodnodig om een correcte koers voor de toekomst uit te stippelen. Loges die sterk in een overkoepelende structuur gevat zitten, kunnen hier weinig of niets aan doen. Als het inzicht en de wil er niet is bij de landelijke leiding, blijft men naar de eigen navel staren en wordt het maçonnieke credo gekortwiekt in zijn uitvoering. Er wordt veel te weinig fundamenteel nagedacht over “Waar staan wij?”, “Wat kan een streefdoel zijn?”, “Hoe en in hoever moeten wij het initiatiek concept niet hertalen binnen de hedendaagse tijd?” en “Wat staat ons te doen om accuraat van vandaag naar morgen te evolueren?”.  In tafelredes en van op redenaarsstalles wordt al te dikwijls gegoocheld met grote woorden en dure eden. Zusters en broeders, wij blijven al te zeer op eigen borst kloppen, blakend van zelfvoldaanheid. Reflectie, zelfevaluatie, kritisch maar visionair denkwerk blijven zeldzaam en vinden bitter weinig implementering. Sorry, daar valt geen échte toekomst mee op te bouwen want de wind vervoert noch een fata morgana, noch een luchtbel.

Handelend optreden is aan u voorbehouden. Als kandidaat 80-jarige beperk ik mij tot een bescheiden rol als ervaringsdeskundige, als onafhankelijk onderzoeker, als analist, als beschouwer. Voor het scheppen van een verfrissend en wenkend toekomstperspectief doe ik een beroep op jongere, aantredende generaties. Hen wens ik vanuit mijn hart…

“Gunstige wind en behouden vaart!”

 

Hugo DE CNODDER, Brugge 1 februari 2025.

 

VAN VAKMANSCHAP NAAR MEESTERSCHAP

VAN VAKMANSCHAP NAAR MEESTERSCHAP – Kleine canon van de kennisoverdracht

Toen professor en eminent historicus Bruno De Wever vrijdagmiddag 25 maart 2022 het UGent-auditorium Franz Cumont aan de Blandijnberg binnenstapte, genoot hij duidelijk na van het gesprek dat hij met zijn collega’s had gehad over traditioneel aulaonderwijs (hoorcolleges) versus nieuwe vormen van kennistransfer die onder druk van de coronapandemie en de bijhorende maatregelen met versnelde pas terrein aan het winnen zijn. Niet alleen aan deze UGent-vergadertafel maar ook elders steekt eenzelfde discussie de kop op. Zaterdagochtend daarop bevatte de weekendeditie van De Standaard een bijlage van zestien pagina’s onder de uitdagende titel ‘FUTURE OF LEARNING’ met een coverfoto van Jan Schuer, bedenker van het ‘Smart-school’ platform, die “zijn licht laat schijnen op de ‘school van morgen’.

Laat ons toch maar voorzichtig zijn, halt houden en… bierbrouwer Grolsch indachtig zijn. Ruim vier decennia terug kwam die op het idee om zijn schuimend glas bier in handen te geven van ambachtslui allerhande: van – natuurlijk – bierbrouwer over zadelmaker tot instrumentenbouwer. Of – zoals ikzelf – als de analoge zwartwit fotograaf die de magie van de donkere kamer steeds opnieuw beleeft en herbeleeft. ‘Vakmanschap is meesterschap’ volgens Grolsch, in eenzelfde stijl als de ‘Compagnons du Devoir et du Tour de France’, de Franse gildeorganisatie van ambachtslieden en kunstenaars, die stamt uit de middeleeuwen maar die ook in de 21ste eeuw nog steeds actief is, dixit Wikipedia. Maar ook professoren en hun studenten. De universiteitsaula als ‘ambachtelijk atelier’. Zo’n heerlijke gedachte verdient verdieping en leidt misschien tot verheldering.

Ik heb echter de Grolsch-uitdrukking ‘Vakmanschap is meesterschap’ bewust geherformu-leerd tot ‘Van vakmanschap naar meesterschap’. Ten eerste omdat ik die gelijkstelling veel te simplistisch vind: vakmanschap kàn tot meesterschap leiden maar dat is het gevolg van een lang proces en absoluut geen vanzelfsprekendheid. Maar ook met de term ‘vakmanschap’ is het oppassen geblazen. Er zijn al minstens diverse niveaus van vakmanschap: er is het puur technisch vakmanschap (de trapmaker maakt een ingewikkelde draaitrapconstructie die past als een bus wanneer ze op de bouwwerf wordt geïnstalleerd) maar er is ook het ‘vakmanschap’ van de onderwijzer van het eerste leerjaar die zijn leerlingen leert lezen en schrijven (dat zijn leerprocessen die niet enkel puur technisch zijn maar ook appel doen op affectieve, sociaal psychologische en didactische vaardigheden). Er zijn beslist nog andere voorbeelden op te sommen die de diversiteit inzake ‘vakmanschap’ contextueel duiden zonder dat dit wil zeggen dat de ene vorm hoger of lager te kwalificeren valt.

Laat mij stellen dat het proces van kennisoverdracht a.h.w. de verbindingskabel is tussen zender en ontvanger, tussen prof en student. Van de ‘zender’ wordt expertise en competentie verwacht, van de ‘ontvanger’ nieuwsgierigheid en leergierigheid. Zonder een dergelijk spanningsverschil tussen beide polen, komt kennisoverdracht niet in beweging, gaat er niets substantieels van de ene naar de andere pool.

Maar… kennisoverdracht is niet enkel een kwestie van intellectuele ‘bagage’, er is meer nodig. Jammer genoeg is dit surplus moeilijk te vatten want het gaat om een affectieve  factor. Bij de prof gaat dat om betrokkenheid, gedrevenheid, wat ik gaarne omschrijf als begeestering, liever nog als passie. Of… laat mij het nog wat lyrischer omschrijven: naast zijn eruditie in zijn vakgebied, moet de ‘hoog-leraar’ zijn studenten ‘gaarne zien’: natuurlijk geen #me.too-liefde maar wel een uitgesproken liefde voor diegene die kennis wil verwerven, voor het nauwelijks beschreven blad… De subtiele klik die het geeft oog in oog komen te staan met een gevuld maar vooral aandachtig en nieuwsgierig auditorium.

Maar ook de student moet zijn/haar duit in het zakje doen: nieuwsgierigheid heb ik altijd gezien als een uitgangspunt zonder meer. Daar voeg ik echter met volle overtuiging respect aan toe. Respect voor diegene die er mede zijn missie van maakt ‘niet-ingewijden’ in te wijden in zijn of haar vakgebied, om zijn opgebouwde expertise met gulle hand te delen. Om de vragende blik, het luisterend oor te voeden, te onderwijzen, te begeleiden, te gidsen.

M.i. bestaat de transmissiekabel die de hoogspanningsmasten van respectievelijk zender en ontvanger met elkaar verbindt, naast beide zojuist vernoemde intellectuele en  affectieve geleiders, ook nog uit een derde belangrijke slagader. Misschien is die te beschouwen als de grondstroom, om een term te gebruiken die enkele jaren geleden door een politicus gelanceerd werd en die perfect weergeeft wat ik probeer te duiden. Ik zou deze in mijn visie uiterst belangrijke geleider, de ‘humanistische’ component willen noemen. De prof die zich als ‘mens onder de mensen’, als ‘mede-mens’ openbaart en juist hierdoor zijn studenten ‘vormt’. Kennisoverdracht is de voor elk leervak, voor elke leersituatie, voor elke professor unieke bundeling van intellectuele, affectieve en humanistische componenten die kennis-overdracht verheffen van een eerder technische aangelegenheid tot ‘vakmanschap’. Ze maken van ‘onder-wijs’ ook ‘vorming’, waardoor een niet te onderschatten meerwaarde tot stand komt. Het is in feite de persoonlijke ‘signatuur’ van de ‘vakman’ en in sommige gevallen van de ‘meester’, t.t.z. van de vakman die naar het ‘meesterschap’ is geëvolueerd. Daarom blijven bvb. sommige onderwijzers, leerkrachten, professoren wel in onze herinnering bewaard, andere vervagen al het volgend schooljaar…

Wat ik in de voorgaande alinea’s heb geschreven, wil ik als ‘de drie basics’ van kennisover-dracht benoemen. Zonder dit alles, lukt het m.i. niet of blijft het bij een beperkte, deels stuntelige poging. Elk vakmanschap is echter nog lang geen meesterschap. Daar is – gelukkig maar – meer voor nodig. Alvast de niet te onderschatten factor tijd, noem het rijpingstijd. Het leren omgaan met een verrijkende diversiteit aan omstandigheden en doelgroepen opent de weg naar ervaring. De ontwikkeling en verfijning van het vermogen tot empathie biedt inzicht en openheid in gevoelens bij de wisselwerking tussen prof en student. Het vakmanschap dat ik zojuist schetste, kan nu op pad gaan naar meesterschap…

Naast bovenvermelde ‘basics’ zijn er ook ’tools’. Het bord, een stuk krijt, een labo-opstelling, een invulschrift, groepswerk e.d.m. ondergingen een heuse evolutie. Tot en met zaterdag, dag waarop de bijlage ‘FUTURE OF LEARNING’ de weekendeditie van mijn krant in heuse glamourstijl aanvult.  ‘Bedrijven als opleidingsverstrekkers’, ‘digitale toekomst’, ‘hybride leslokalen’, ‘game based learning’ zijn woorden die de koppen sieren om na veertien pagina’s te belanden bij “Hoe kunnen we het onderwijs en bedrijfsleven met elkaar verbinden?” Voeg hier nog video-opnamen en live-streaming als corona-toverwoorden aan toe.

Ongetwijfeld openen nieuwe onderwijstechnologieën nieuwe perspectieven en kunnen zij extra ’tools’ aanreiken die kennisoverdracht ondersteunen. Maar… en hier komt het: wij mogen nooit het fundamenteel onderscheid tussen ‘basics’ en ’tools’ uit het oog verliezen. En daar wringt het schoentje: de euforie over de hedendaagse technologische ontwikkelin-gen doet ons al te dikwijls ‘doel’ en ‘middel’, hoofd- en bijzaak door elkaar haspelen. De technologie overweldigt het in wezen ambachtelijk proces. Er wordt getracht de universele canon van de kennisoverdracht te herschrijven. Captains of industrie en technologie-ticoons trachten via hun netwerken hun items in te lassen. De technologisering tracht haar slag te slaan. Vergelijkbaar met de jaren ’70 uit de vorige eeuw onder impuls van de toenmalige kabinetschef onderwijs en oud-leraar wiskunde Gaston Colebunders toen de klassieke humaniora werd gemarginaliseerd ten voordele van wiskunde, wetenschappen en technologische opvoeding.

Meester-brouwer Grolsch mocht dan wel gepoogd hebben het ambachtelijk vakmanschap in de focus te hebben geplaatst (met zijn schuimend glas bier ernaast), hij dreigt heden ten dage onder de voet gelopen te worden door nieuwe marketeers. De ‘ambachtelijke’ onderwijzers, leraren en universiteitsprofessoren moeten in hun overleg hun krachtigste argumenten op tafel leggen en ze zo nodig met hun vuist kracht bijzetten om door deze mist heen te priemen, om niet onder de voet gelopen te worden door opduikende en alerte  technologische stormrammen.

Het ware ‘meesterschap’ van de prof ligt begrepen in zijn artisanaal vakmanschap, zijn passie en zijn overtuigingskracht waarmee hij de zoekende jonge mens weet te begeleiden. Niets meer maar zeker ook niets minder. En van de student mag met recht en rede ook een even-redige inbreng verwacht worden: de vormende waarde van de diverse etappes van de academische hordeloop.                                                                                                           

 

Hugo De Cnodder, Brugge 27 maart 2022

IK VERLAAT DE AUTOSTRADES VAN DE VRIJMETSELARIJ

“Ik heb de autostrades van de vrijmetselarij verlaten en ben een uitnodigende veldwegel ingeslagen. Ik vlei mij in de berm tussen de bloemen…”

Deze metafoor geeft de ambivalentie van het gevoel weer dat mij na 41 jaar lidmaatschap van onze orde beheerst. Zij synthetiseert bovendien de studie- en reflectiearbeid waarmee ik mij sinds 2014 geconcentreerd heb op twee inwijdingsgenootschappen die in de Lage Landen actief zijn, vrijmetselarij en weefsterarbeid. Zij combineert mijn betrokkenheid en bewogenheid bij dit emancipatorisch project enerzijds met mijn ontgoocheling over wat mensenhanden er na enkele eeuwen van terecht hebben gebracht, anderzijds met mijn woede over de diverse kapingen die werden uitgevoerd om – zeker vrijmetselarij – te instrumentaliseren voor doeleinden waarvoor zij absoluut niet dient. Zij verbergt mijn huiver voor organisaties en ego’s niet maar brengt liever een ode aan de vrijheid van broeders en zusters en hun loges om een eigen traject uit te zetten. Zij fleurt op bij de ontroerende eenvoud van waar het om gaat: in groepsverband mensen proberen meer mens en medemens te laten worden…

Het zou dom zijn een maçonniek testament te ontsieren door er een grieventrommel van te maken en hier en daar een trap na te geven. Veel verstandiger is het wijlen Leo Apostel aan het woord te laten: “Gedurende mijn levensloop als lid van de orde heb ik geschommeld tussen enthousiasme, wanhoop en onverschilligheid. Momenteel geloof ik (nog steeds dankbaar voor de ‘ontmoetingen’ die de vrijmetselaarsorde voor mij heeft mogelijk gemaakt en voor toekomstige generaties zal mogelijk maken) dat een krachtige aanpak nodig is om te verhinderen dat de orde ten onder gaat aan spirituele onverschilligheid van haar leden, het gering engagement, de uiterste moeilijkheidsgraad van haar utopische opdracht en de kleinzielige ruzies uitgelokt door maçonnieke kwezels.” (1984). Of zoals mijn vroegere klasgenoot Ronald Commers het uitdrukt: “Laten we zoals Falk duidelijk trachten te blijven met onszelf. /…/ De afkomst én de bestemming van de vrijmetselarij – waarover wij ons hoofd blijven breken – zijn eenvoudig en oprecht: mensen van goede wil die niet kunnen bogen op adellijke genealogieën, die de gerechtigheid toegewijd zijn, en die het militantisme en het obscurantisme bestrijden in zichzelf en in de wereld. Zelfs wanneer de vrijmetselarij op het einde van de 21ste eeuw niet meer zou bestaan omdat zij zal bezweken zijn onder de tweezijdige furie van militantisme en obscurantisme, dan nog zullen de zeven kaarsen op de kandelaar van het verstand, van de sensibiliteit en van de goede smaak, zijn blijven branden. Blijven branden om te getuigen van het licht dat schijnt in de duisternis van dweepzucht en zelfvoldaanheid.” (2012). Ik onderschrijf zonder voorbehoud hun verwijzing naar het blijvend en wenkend perspectief en plaats uit volle overtuiging mijn handtekening onder volgende 35 jaar oude alinea van Leo Apostel: “Alhoewel de vrijmetselarij bijna dood is (vrees ik), en in de ban van de gerontocratie (macht in handen van de ouderen) of van een onrealistische progressiviteit, geloof ik dat ik nog eens met Lessings ‘Ernst und Falk’ kan besluiten. Elke versnipperde samenleving zal, als reactie tegen haar eigen ontbinding, iets voortbrengen dat, gebruik makend van dezelfde of andere mythen en symbolen, op een of andere wijze een maçonnieke orde is.” (1984)

* * *

“Ik heb de autostrades van de vrijmetselarij verlaten en ben een uitnodigende veldwegel ingeslagen. Ik vlei mij in de berm tussen de bloemen…”

Daarover gaat het op de studie- en ontmoetingsdagen waarvoor wij sinds 2013 het initiatief namen. De veldwegel en de bloemen. Het wenkend perspectief. De inwijding als appel. De begeestering van de beleving. Over vrijheid als noodzaak. Over vooruitgang die slechts mogelijk wordt door relevantieen bereidheid tot vernieuwing en verfrissing. Maar ook over de noodzakelijke verbondenheid van onze tempels in honderden oostens en de hen omringende westens…

Niet over punten en komma’s, toeters en bellen, regalia en titulatuur, reglementen en rechtbanken, vermeende regulariteit en verdoemde irregulariteit. Niet over ego’s en kwezels maar over zusters én broeders, over ingewijden zoals u en ik. Over mensen van bloed, zweet en tranen gekenmerkt door hoop, verwachting en inzet. Ik word zenuwachtig van het niet te stoppen organisatorische gewriemel van verstikkende bodembedekkers die alsmaar uitleggen wat niet kan in plaats van paden naar morgen te hakken in dit oerwoud vol valkuilen en fata morgana’s. Weg met de onzin die versluiert, versmacht, doodt. Weg met grenzen en scheidingslijnen, met mistige antichambres en ondoorzichtige agenda’s. Weg met dweepzucht en zelfvoldaanheid, dixit Commers in 2012. Laten we liever hier en samen een ode aan de ‘bevrijding’ van vrijmetselarij componeren!

* * *

Leve de veldwegels doorheen het maçonnieke landschap met zijn betovering aan vergezichten, aan verrassende plekjes. Met de verrijkende ontmoetingen met duizenden reisgenoten, de bloemen die het boeket zo uniek maken. Met pleisterplaatsen waar mensen elkaar ongehinderd kunnen ontmoeten.

De ONTMOETINGSDAGEN R&T-STC zijn stapstenen in een hopelijk nog lange reeks vergelijkbare initiatieven. Wat in Antwerpen in 2013 begon als ODE AAN DE BROEDERLIJKHEID baande zich een eigen weg van Leeuwarden tot Kortrijk, van Brielle tot Maaseik, hindernissen trotserend, broeders en zusters, vrijmetselaren en weefsters verenigend. Een steeds krachtiger wordend geluid gedragen door een team van broeders en zusters waarin ieder elkaars gelijke is. Vandaar dat hier geen namen genoemd worden. Als het al om ‘iemand’ zou gaan, dan is dat de broeder of zuster die hier nog niet is, niet kon zijn…

Cultureel antropoloog en lid van de Raad van Advies van Ritus en Tempelbouw, Rik Pinxten formuleerde vorig jaar in een THOTH-artikel ‘Het Center of Union als werkwoord’ een vernieuwend uitgangspunt: “Ik denk namelijk dat we voor de eerste keer in de geschiedenis van de mensheid nagenoeg verplicht zijn om mondiaal te denken, dat wil zeggen om op een verstandige en niet voorin-genomen manier met de enorme diversiteit in de mensheid rekening te houden.” (2020). Ik voeg daar aan toe: idem dito met de maçonnieke diversiteit. Het is al te gek maçonnieke organisaties zichzelf de hemel te horen in prijzen als zouden zij de énige, de échte en dé ware vrijmetselarij ‘worldwide’ zijn. Dat doen kerken in hun missioneringsdrang ook. Rik Pinxten vervolgt: “De Center of Union-idee van de vrijmetselarij kan in dat kader een zinvolle bijdrage zijn aan de toekomst van de mensheid, mits ze gezien wordt als een oefening in het zoeken naar vereniging, en niet als het vinden van de enige oplossing zoals wij in een besloten kringetje ze in huis zouden hebben en die als ‘eenheid’ aan anderen voor te houden. /…/ Een basismechanisme dat de verbinding mogelijk maakt, en ook een rituele vorm geeft aan het begrip Center of Union, lijkt me, is de Broederketen. /…/ Naarmate de Broederketen in de loop van jaren met veel verschillende particuliere groepen kan beleefd worden, is het gevoel van universele Broederketen vermoedelijk meer of duidelijker een weg in plaats van enkel een abstract symbool.” (2020) Dit kan voor de verdere ontwikkeling van vrijmetselarij, voor haar ‘bevrijding’ een vernieuwend perspectief inhouden.

* * *

“Elke versnipperde samenleving zal, als reactie tegen haar eigen ontbinding, iets voortbrengen dat, gebruik makend van dezelfde of andere mythen en symbolen, op een of andere wijze een maçonnieke orde is.” (1984)

De scheuten staan te wachten. Net onder de grond, sommigen nog aarzelend juist erboven. U moet het verband zien. Willen zien. Wie met de neus tegen de etalageruit gedrukt staan, ziet niet goed wat er allemaal te koop is in deze winkel. De kritische beweging van de jaren ’60 heeft niet enkel het gezag in vraag gesteld maar ook de gelijkwaardigheid van mannen én vrouwen op de agenda gezet. Heeft terecht aandacht opgeëist voor de maatschappelijke context. Zowel buiten als binnen vrijmetselarij en weefsterarbeid. Evoluties hebben hun tijd nodig. Het ontstaan van jonge bewegingen – loges zowel als organisaties – ging niet van een leien dak. Struikelstenen en excommunicaties zijn de vrijmetselarij sinds haar ontstaan ruim bekend. “Nie pleuje” zeggen de Gentenaars. “Nooit plooien!” voeg ik er gaarne aan toe.

Zusters en broeders, vrijmetselaren en weefsters, THOTH-hoofdredacteur Willem Verstraaten heeft het mij ooit op het hart gedrukt: “Broeder Hugo, er is dringend nood aan vernieuwende maçonnieke passie.” Gelijk heeft hij! “Hoe mooi is het zo af en toe weer eens te voelen dat vrijmetselarij iets van echt menselijk belang inhoudt, buiten plechtstatelijkheid, regulariteit en ceremonialisme om. Daar blijven we het voor doen.” (2020) schreef hij recent in zijn inleidend cursief onder de niet mis te verstane titel “Van clubfauteuil tot frontloge”.

Dat is de opdracht van vandaag. Zusters en broeders, het is ‘onze’ opdracht. Waarna we ons wijd verspreiden naar onze tientallen loges en hun honderden medebroeders en -zusters om er getuigenis af te leggen van de maçonnieke passie die ons gegrepen heeft en die net zoals de kaarsen van Ronald Commers “blijven branden om te getuigen van het licht dat schijnt in de duisternis van dweepzucht en zelfvoldaanheid.” (2012)

De kracht van een boeket zit in de combinatie en de diversiteit van zijn bloemen, niet in het touwtje rond de stengels. Noch minder in het verpakkingscellofaan. Laat staan in de elegante strik met het kleefetiket van de bloemenverkoper.

Hugo De Cnodder, lid van de Brugse loge ‘VÁCLAV HAVEL’ arbeidend onder LITHOS Confederatie van Loges, 1 maart 2021

RONDETAFEL IN DE AMSTERDAMSE PILSENER CLUB

RONDETAFEL IN DE AMSTERDAMSE PILSENER CLUB ‘DE ENGELSE REET’

Hoe dikwijls heb ik de afgelopen ‘coronatijd’ niet aan mijn grootouders gedacht. En aan de miljoenen mensen die eerst WO1 in werden gesleept en nadien – als zij dachten dat alles terug in een plooi was gevallen – WO2 in werden opgejaagd. Nauwelijks iemand van hen had enig besef van wat hen overkwam: het was zoals het was. Neen, het was véél erger dan wat zij ervan zagen. In tegenstelling tot wij die met urenlange fake en factchecked corona-carroussels draaiende worden gehouden, hadden zij niet het minste overzicht, hooguit wat geruchten of gekraak uit een clandestiene radio onder dikke dekens beluisterd.

Mijn grootmoeder was gebroken toen haar jonge echtgenoot – 22 maand huwelijk beleefden zij samen – wederopgeroepen werd en met een zak vol soldatenspullen aan het station tot verzamelen werd gevorderd. Geen uren tijd om al vrijend maar met tranen in de ogen afscheid te nemen. Inpakken en wegwezen! Nooit zag zij hem terug tenzij vele jaren later aan zijn graf op een verre militaire begraafplaats in de Westhoek. Enkele dagen later vluchtte zij – helemaal in paniek gebracht door gruwelverhalen over de brutaliteit van de oprukkende Duitsers, Nederland in. Een elektrische draad met 2.000 Volt voorkwam dat deze uitwijkelingen terug naar huis konden. Daarvoor moest ‘Bonneke’ tot januari 1919 wachten… Een Amsterdamse slagersknecht uit De Pijp had haar een kind, mijn moeder, gemaakt. Het andere dochtertje haalde een barre winter niet en stierf de dag na haar geboorte in het toenmalige Wilhelminagasthuis. Of wat met die tienduizenden hulpsoldaten uit de toenmalige kolonies die – aardlengtes ver van huis en familie – in het polderslijk spoorwegen aanlegden en greppels groeven? Soldaten hadden nog geen metalen helmen en sneuvelden ten gevolge van hoofdschotwonden, hun bivakmutsen dienden als schietschijven eens ze boven de loopgraven uitstaken. Zij geen helmen, vele zorgverstrekkers nu onvoldoende mondmaskers. Hier en daar snel gewassen schorten uit extra gebouwde ziekenhuiswasserijen.

Toen: geen dagelijkse tv-update van slachtoffers, doden. Geen virologen en andere experten die flippende politici adviseerden wat hen te doen stond zodat gebrek aan politiek en ander leiderschap gecamoufleerd werd. Ook geen apps om aan te geven dat je naast een collaborateur liep. Of sliep. Wel klieklijnen van allerhande makelij. Aan de deuren van de antichambres van macht en gezag geen persconferenties waar leugen en werkelijkheid handig door elkaar gehaspeld werden zodat de kaarten voor het volgende verkiezingsspel zo gunstig als mogelijk kunnen gelegd worden.

Er is niet enkel WO1. Er is ook WO2, corona in de vluchtelingenkampen in het Middenoosten, of in die op de Griekse eilanden, de hekkens van Orban, en… en…

Net voor de grote corona-chaos begon, zat ik in de Amsterdamse bruine kroeg ‘De Engelse Reet’ waar één van mijn medebroeders opwierp dat met de coronacrisis de natuur haar mensheid even een prik had gegeven die wel eens verstrekkende gevolgen zou kunnen hebben. Dat was zijn hoop. Een week later werden de eerste virtuele vormen van vrijmetselarij boven de doopvont gehouden. Met een kakafonisch koor van pro’s en contra’s. Opnieuw gekrakeel. Zittingen en comparities werden stilgelegd, logegebouwen gingen dicht, kandidaten werden verplicht tot eindeloze wachtrijen voor dichtgespijkerde kamers van overpeinzing. De inktpotten nodig voor persoonlijke testamenten droogden uit. Kaarsen kregen plots een bestaan waarvan zij de duur nooit hadden durven dromen. Ceremoniemeesters zullen de regieaanwijzingen van hun ritualenbundels terug moeten instuderen. Gebouwenbeheerders laten stickers drukken om de niet meer te bezetten stoelen aan te duiden. Tempelcapaciteit wordt misschien gehalveerd, gedecimeerd. Het merendeel van de vrijmetselaren en weefsters behoort omwille van hun leeftijd tot de risicogroep nummer één. Worden vrij metselen en weven risicoberoepen?

Onzekerheid en angst nemen mensen, broeders en zusters, vrijmetselaren en weefsters in hun bezit. Hoe moeten we verder? Geesten scheiden zich: sommigen denken in mogelijkheden, anderen in onmogelijkheden. Zijn de glazen nu half leeg of half vol? Moet de schreeuw naar reglementering, eerder overreglementering in dit perspectief begrepen worden? De mens die eeuwen lang naar vrijheid verlangde en daarvoor streed, smeekt nu overheden om nog enkele alinea’s extra toe te voegen aan het alsmaar slordiger en improvisatorischer wordende draaiboek van deze coronatijden. Tientallen belangengroepen dingen naar de hand van de ‘exit’-scenarioschrijvers.  Ik werd in de jaren ’60 van de vorige eeuw opgeleid met ‘De zelfstandige mens’ en ‘De angst voor vrijheid’ van Erich Fromm als verplichte lectuur, ik was medeoprichter van een loge die weigerde een reglement uit te schrijven omdat zij meende dat conflicten wel met gezond verstand en binnen de tijdsgeest waarin ze zich voordeden, zouden opgelost worden door de leden die er dan deel van zouden uitmaken. Het kan verkeren.

Het is overduidelijk hoe deze ‘prik van de natuur’ menselijke relaties onder druk zet, aantast. Op nog geen twee maand tijd staat alles en iedereen onder spanning. Dat zorgt voor bijkomende verdeeldheid, misverstanden, vooroordelen tussen mensen die reeds zo gegeseld werden door de nieuwe haatpredikers van het voorbije decennium. Toonzettingen in communicatie verschuiven. Net zoals in oorlogstijden zijn beschuldigingen snel geboren. De pragmaticus die zich bewust is van de toestand maar zichzelf via enthousiasme en vertrouwen recht houdt, krijgt te horen “Zie jij dan niet wat hier aan de hand is?” en botst zo tegen de scepticus die verteerd wordt door onzekerheden. Iedereen tracht iedereen mee in het bad van de eigen perceptie te trekken. Wie beschouwend op enige afstand blijft, is snel verdacht.

Ik volg dagelijks nogal wat nieuwsbrieven van dag- en weekbladen. Salvo’s beschouwingen, factchecks en visionaire verklaringen creëren een wervelende chaos die nu juist niet wenselijk is. De mediatisering van de coronapandemie trekt een gevaarlijke spiraal op gang waardoor de noodzakelijke afstand compleet verloren gaat. Twee kranten die hier steevast elke dag in de bus vallen tonen twee verschillende benaderingen: de ene met opzwepende titels en suggestieve foto’s, de andere met nuchtere bijdragen in veel lettertjes en weinig foto’s. Een geslepen politicus biedt met de regelmaat van de klok aan beschikbaar te zijn om crisis, land en – vooral – eigen macht en invloed te ‘redden’. Misschien overleeft de mens wel de coronapandemie maar niet datgene wat sommige mensen die aan de knoppen zitten, ermee doen? Feiten moeten plaats maken voor politieke framing, weloverwogen argumenten voor partijpolitieke: er is – bijna wereldwijd, een minderheid van uitzonderingen te na – een weigering om expertise op een serieuze manier aan bod te laten komen. De rustige vastheid, de didactische helderheid maar vooral hun gevoel voor dosering van de Belgische virologen Marc Van Ranst en Steven Van Gucht staan in schril contrast met de schreeuwerigheid van ministers die dringend willen scoren. Ik ga niet buiten mijn land want dat is sinds kort niet toegelaten. Ook niet meer naar het Nederlandse Sluis waar alles zo goedkoop was: er staan politie-agenten aan de grens om 250 Euro te innen alvorens je rechtsom moet maken. Wij derven thuis de vis van Fieret, de drogisterij van Verlinden en de kop senioren-koffie op een terras. Niemand kan nog stiekum lonken naar de rozige etalages waarin opblaaspoppen uitnodigen een andere schijnwereld te betreden.

Ik verhul het niet en kies ondubbelzinnig voor de Van Ranst – Van Gucht stijl. Bewust van wat zich afspeelt, stap voor stap handelend, stroomversnellingen vermijdend, voortdurend klaar om de nodige flexibiliteit te ontwikkelen uitgezette scenario’s aan de passen aan nieuwe omstandigheden en noodwendigheden en voldoende afstand houdend om niet meegesleurd te worden in een zigzag die onzekerheid, angst en straks chaos maskeert. Het is mijns inziens niet nodig alle scenario’s die achter de hand klaar staan, bestendig te etaleren. Het is nodig om flexibiliteit en veerkracht altijd in standby te hebben. Het is nodig om lucide te blijven en zo te ontsnappen aan de waan van de dag, de meest gevaarlijke draaikolk ter wereld.

De prik van de natuur waarvan sprake aan de ronde tafel in de ‘De Engelse reet’ en die op ultra korte tijd alles op z’n kop zet, ja die uitdaging lijkt me wel wat. Ik durf haast zeggen dat het hoog tijd is dat er een niet te ontkomen uitdaging ons met de neus op de eigen feiten drukt. Net zoals een heldere alinea uit een e-mail die ik ontving: “In deze rare tijden merk ik ook dat sommigen ervan uitgaan dat dit alles alleen maar tijdelijk is en dat we straks wel weer gewoon ‘back to normal’ zullen gaan. Zelf vraag ik me dat ten zeerste af en weet en voel ik eigenlijk ook wel dat zonder meer ‘back to normal’ waarschijnlijk helemaal niet verstandig is. Ik denk eerder dat het verstandig en nodig zal zijn om nu al na te denken over wat we straks juist misschien ook permanent ánders zullen moeten gaan doen. Onze wereld smeekt daar mijns inziens om, want we zijn toch wel echt verkeerd bezig met z’n allen en we trekken daarmee een veel te grote wissel op onze planeet, op elkaar en op onszelf…”

Flexibiliteit, veerkracht en… visie, in die optocht wil ik samen met anderen opstappen.

Ik plaats mijn handtekening zonder verpinken onder “Ik denk eerder dat het verstandig en nodig zal zijn om nu al na te denken over wat we straks juist misschien ook permanent ánders zullen moeten gaan doen. Onze wereld smeekt daar mijns inziens om, want we zijn toch wel echt verkeerd bezig met z’n allen en we trekken daarmee een veel te grote wissel op onze planeet, op elkaar en op onszelf… Dit is natuurlijk generaliserend en er mag niet voorbij gegaan worden aan tal van positieve verworvenheden. Maar hier gaat het in de eerste plaats over onze planeet en haar natuur die beide onder enorme druk staan. Maar het zou kortzichtig zijn de geglobaliseerde markteconomie en het kapitalisme, de wereldwijde armoede en de problematiek onder de recente migratiestromen niet tezelfdertijd op de agenda te plaatsen. De enorme ondermaatsheid van het regerend en zich profilerend politiek leiderschap is onheilsspellend. Wie niet in staat is de scenario’s waarmee vandaag gewerkt wordt, te herdenken, zit gevangen ‘in the box’, wie de visie heeft om ze aan te passen, zo nodig te vernieuwen geraakt misschien ‘out of the box’.

Nogmaals: visie, flexibiliteit en veerkracht zijn onontbeerlijke hefbomen voor een toekomstperspectief.

Een pittige en uitdagende oefening om – in eigen kring – de relevantie van vrijmetselarij en weefsterarbeid aan een serieuze testrit te onderwerpen. Concreet, op het terrein, bij jezelf en je medebroeders en -zusters. Nu doen! ’t Is hoogdringend. Of gaan we ons straks beperken tot het uitdelen van de juiste mondmaskers bij de aanvang van rituele zittingen, het herberekenen van de maximumcapaciteit van onze tempels, hier en daar met een lauw bouwstuk of een artikel in onze ledenbladen als doekje voor het bloeden plaatsend?

Hugo De Cnodder, Brugge, Feest van de Arbeid, 1 mei 2020

DE TOEKOMST VAN MIJN GEREEDSCHAPSKIST

De toekomst van mijn gereedschapskist

 

De toekomst is het land van de hoop, van de verwachtingen, van het verlangen dat er iets moois overblijft na je dood. Maar de toekomst van Vlaanderen waar ik woon en van de wereld waar ik deel van uitmaak, maakt mij angstig.

Ik ben niet blind voor de wijze waarop sinds enkele jaren – na de milleniumwisseling – de aanwezige ‘rechtse grondstroom’ tot een maximum wordt opgepookt. Een ‘greep naar de staat’ is sinds jaren deskundig in opbouw. Politici ontfutselen op sluwe wijze hun mandaat om er vervolgens het hunne mee te doen, de kiezer als leverancier van de verworven invloed en macht aan zichzelf achterlatend… Een netwerk met beslissende knooppunten allerhande evenals haast onmerkbare verbindingen wordt stap voor stap uitgebouwd. Deze tijd staat bol van ‘voorbereidende handelingen’ die subtiel worden ingebracht, wetsvoorstel per wetsvoorstel, legislatuur per legislatuur. Zij worden handig gemotiveerd vanuit diverse referentiekaders zodat hun convergentie slechts duidelijk wordt voor wie de moed opbrengt alles op te lijsten en in overzichtelijke schema’s samen te brengen. Kortom: georganiseerd bedrog.

De politiegarages van mijn geboortestad staan vol semimilitair materieel aangeschaft om terrorisme te bestrijden, bruikbaar als onwillige burgers zich straks verzetten tegen de aan de gang zijnde ontmanteling van sociale woningbouw en andere voorzieningen, van buurt- en opvangcentra voor wie het moeilijk heeft of gewoonweg niet meer meekan. Een handjevol politici schuift de pionnen van hun macht stilaan maar zeker naar het beoogde, finale ‘Schaakmat!’. De wereld van de politiek is verschoven van het openbaar debat naar die van de strategische marketing, psychologische massamanipulatie, trollen en tweets, echte en valse facebook-accounts, frames en fake news. “Macht moet versluierd blijven, mag zich niet zichtbaar te tonen maar moet wel overal ingebed worden” valt duidelijk af te leiden uit uitspraken, houding en gedrag van politici die niets ontzien om de touwtjes in hun handen te krijgen en vervolgens stevig vast te houden.

Tussen nationalisten, communautaristen en regionalisten is de kosmopoliet persona non grata. Hij is verdacht en bijgevolg ongewenst. In een harde, rechtse samenleving waar elite en massa zich alsmaar verder van elkaar verwijderen, waar racisme, discriminatie en armoede schering en inslag zijn, zéker. Gutmenschen, bijstandtrekkers, transmigranten, leeglopers, klimaatspijbelaars, klootjesvolk en andere rauwe scheldnamen worden bedacht voor duizenden die dringend uit de weg van de oprukkende elite moeten worden geruimd. ‘Eine rechte Welle der Gewalt rollt gegen den Staat’ kopt mijn Neue Zürcher Zeitung van 23 juni 2019. Enkele pagina’s verder analyseert Felix E. Müller ‘Warum Populisten das Mittelalter lieben’ en stelt daarbij “Die Serie ‘Game of Thrones’ zeigt die Faszination für das Mittelalter. Bei Rechtsextremen is die Begeisterung für diese Epoche besonders gross und erhält so eine problematische Bedeutung.”

Ondertussen worden sociale voorzieningen één voor één vakkundig uitgekleed. Flexi-jobs creëren een luchtbel in statistieken maar staan in werkelijkheid voor zich institutionaliserende armoede. Het lijkt wel of alles reeds jaren tevoren met extreme precisie was voorbereid en sinds kort systematisch tot uitvoering wordt gebracht. “Ze hebben mijn vader vermoord” roept de vooraanstaande Franse schrijver Edouard Louis uit terwijl hij een vlijmscherp proces maakt van de regerende Franse politieke elite “die vindt dat de armen te rijk en de rijken niet rijk genoeg zijn”. De invloedrijke Franse filosoof en socioloog Didier Eribon laat in zijn ‘Terug naar Reims’ in een autobiografisch verhaal diverse beschouwingen convergeren en plaatst die vervolgens in een veel ruimere sociologische context. Wie zich interesseert voor de richting die een linkse politiek dient uit te gaan om haar maatschappelijke relevantie te hervinden, heeft hier twee aanraders. Ik herken mezelf in de slotalinea van Eduoard Louis: “Vorige maand kwam ik bij je (Louis’ vader, HDC) op bezoek en vroeg je me (Louis zelf, HDC) voor ik vertrok: ‘Doe je nog steeds aan politiek?’ Met de woorden ‘nog steeds’ doelde je op mijn eerste middelbareschooljaar, toen ik me had aangesloten bij een linkse partij en we hadden gediscussieerd omdat jij dacht dat ik problemen zou krijgen met de justitie als ik meedeed aan verboden demonstraties. Ik zei: ‘Ja, meer en meer.’ Je liet een seconde of vier voorbijgaan, keek me aan en zei tenslotte: ‘Je hebt gelijk. Je hebt gelijk, volgens mij zou er eens een goeie revolutie moeten komen.”

In de stad waar ik woon, bezoek ik bij gelegenheid de jonge en enthousiaste loge ‘VÁCLAV HAVEL’ die vanuit haar volle overtuiging ‘Indignez-vous! Verontwaardig u!’ als devies aannam. Een verademing te midden van al te veel maçonnieke zelfgenoegzaamheid en bijhorende toeters en bellen die ik om mij heen ontwaar. Een maçonniek lidmaatschap dat niet vertaald wordt naar de omringende maatschappelijke realiteit, blijft formalistisch kil. Ik kies ondubbelzinnig voor “Ga naar het westen en laat u daar als vrijmetselaar kennen!”. Niet met hoge borst maar door betrokkenheid, bewogenheid en bevlogenheid. ‘Geraakt zijn’ staat voor mij als wezenlijk onderdeel van een maçonniek engagement.

De beweging van de jaren ’60 van de vorige eeuw heeft mij een basis gegeven. Ik ben daar dankbaar voor. Net zoals aan de scholen die ik mocht doorlopen, mijn leerkrachten die dit proces begeleidden. Ik heb mijn leven doorgebracht te midden van mensen die anders leefden, dachten, handelden dan ikzelf maar met wie ik mij verbonden voelde, van wie ik intens van hield. Nog altijd. “De eenvoudigste mensen zijn dikwijls de meest authentieke” is mijn weerkerend inzicht. Ik hou intens van hen, een diepe en oprechte mensenliefde verbindt ons. Waar ik ze ook ontmoet. Een steeds weerkerende drang naar grensoverschrijding in welk verband dan ook, blijkt aan mij vast te kleven. Ook als vrijmetselaar liet ik mij nooit insluiten in één organisatieverband: ik bleef correct maar ging – en ga – verder mijn eigen pad. ‘Een gids op verkenning’, titel van het herdenkingsboek aan wijlen Eric Vanden Berghe, president van het Grootseminarie te Brugge die me als atheïst en vrijmetselaar gastvrijheid, respect en waardering bood, kan ook op mij van toepassing zijn. Eric en ik koesterden elkaars opvattingen.

Een kosmopolitische, of liever nog een universalistische zoektocht naar ontmoeting en verbinding staat haaks op wat heden ten dage wordt opgedrongen en ingelepeld. Openheid van geest en effectieve tolerantie worden bespot en vervangen door een scherp ‘ieder voor zich’. Kerktoren zowel als belfort zijn de teruggekeerde bakens waartegen men zich aanschurkt, parochiehuizen en begijnhoven bepalen de mentale loopruimte eerder dan het panoramisch vergezicht van bergtoppen en stranden. Even ging het anders toen de Berlijnse muur op een onverwachte dag gesloopt werd door burgers die zich niet langer lieten kooien. Vandaag worden metershoge hekken en betonnen muren met verbetenheid opgetrokken om de naar geluk zoekende mens kordaat en hoogtechnologisch ondersteund, de pas af te snijden.

Gelukkig blijft er tegenstroom aanwezig. Burgerinitiatieven bundelen verzet, laten de stem van de basis weerklinken. Soms luid en krachtig, soms erg disparaat en zeer divers van constructie en doelstellingen maar nooit uitgedoofd en versuft. Menselijk verzet moet dikwijls met diep gebogen hoofd door barre tijden gaan maar lijkt onuitroeibaar. Gelukkig maar. Gelukkig is er – evengoed en niet te onderschatten – een tegenstroom, waarvan er een groot publiek in Brussel woont, wroet en wortelt. Je kleinkinderen zijn dankzij wat jij aan de generatie tussen jou en hen in, meegaf, in goede handen. Door met jou tijd door te brengen en de speelse doch meervoudig gelaagde nieuwsgierigheid van hun Opi te beleven, krijgen ze die ook mee. Ik ben fier dat mijn broer niet aan de zijlijn staat maar mee zijn stem en handelen tegen de tirannie van de angst en de onrechtvaardigheid die groeit, laat horen.” schreef mijn broer in een reactie op een ontwerptekst van deze beschouwing.

Is het dan niet begrijpelijk, ja zelfs menselijk dat de toekomst van Vlaanderen en de wereld tot ver daarbuiten mij angstig en onzeker maakt?

Gelukkig merk ik bij mezelf dat de vaandels en spandoeken van weleer nog altijd in mijn hoofd en hart klaar staan. Het ‘Indignez-vous’ van de loge ‘VÁCLAV HAVEL’ beroerde onverwacht maar sterk mijn bewogen- en betrokkenheid. Zoals de vingers van een hand die de harp in een oogwenk tot leven brengen en een hoopvol akkoord kunnen vormen.

Ik ben blij opnieuw wakker geschud te zijn. Door jonge, enthousiaste, oprechte broeders en zusters vrijmetselaren, leden van een loge die nieuwe hoop wekt in het zelfvoldane maçonnieke landschap. Samen met andere zoekende en daardoor vernieuwende loges groepeerden zij zich als ‘LITHOS. Confederatie van loges’ in 2006 opgericht, een poging tot verfrissing binnen de mainstream-vrijmetselarij van ‘gestelde lichamen’. De authentieke kracht van vrijmetselarij en weefsterarbeid is in handen van broeders, zusters en hun loges, niet in die van bredere organisatorische verbanden die hun dienstbaarheid dreigen in te ruilen voor sturing, controle, sanctionering en a-maçonniek stratego.

Wij proberen met onze jaarlijkse cyclus ‘ZATERDAGLEZINGEN VOOR VRIJMETSELAREN’ bij te dragen aan een informeel maar reëel maçonniek elan. Noem het gerust een soort maçonnieke grassroots.” drukte een medebroeder me enkele jaren geleden op het hart. “Wij moeten voortdurend op de uitkijk staan om jonge, maçonnieke raspaarden te ontdekken, te begeleiden en uiteindelijk de vrije loop te geven waardoor zij zichzelf kunnen zijn en blijven. De vrijmetselarij zal pas ten volle kunnen evolueren als haar wortels in de strakke strekkingen uit het verleden verder atrofiëren. Maar die bevrijding kan nog jaren duren en… ze kan ook mislukken!” Ik weet niet of ik zo’n wende nog zal beleven want na 40 jaar lidmaatschap van ‘een orde die in groepsverband probeert mensen meer mens te laten worden’, is het uitkijken mezelf niet

voorbij te lopen. Het is nu wel degelijk tijd om de beschikbare fakkels door te geven aan een nieuwe generatie. Het weiland is aan de jonge raspaarden, laten we ze niet voor de voeten lopen!

Ik heb het oversteken van grenzen steeds uitdagend gevonden. Nieuwe vergezichten, nieuwe mensen, nieuwe geluiden vormen bij elke grensovergang een wenkend en heel dikwijls verfrissend perspectief. Ik was twaalf toen mijn ouders met mij in Amsterdam inscheepten voor een korte reis op een semicargo: Amsterdam, Bremen, Hamburg, Antwerpen. Ik was negentien toen zij een vissershuisje in de Scheldedijk ter hoogte van het Verdronken land van Saeftinge kochten waar nadien een deel van mijn adolescentie zich afspeelde. Héél mijn leven lang stak ik op gezette tijden de grens met Nederland over, leerde er nieuwe mensen kennen, genoot ervan om in een ‘ander’ land mij voordien onbekende perspectieven te ontwaren. ‘Sextant’, het tijdschrift van de Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervorming, verving in de jaren ’60 het seksuele scoutskompas waaraan ik gewend was. Amsterdam, werd mijn voorkeurstad en ik keerde er ontelbare keren terug. Ik deel het enthousiasme dat Russell Shorto uitdrukt in ‘Amsterdam. Geschiedenis van de meest vrijzinnige stad ter wereld’. In 2010 maakte ik in De Roode Hoed te Amsterdam kennis met de Nederlandse maçonnieke stichting ‘Ritus en Tempelbouw’. Nederlandse broeders en zusters bieden mij sindsdien mogelijkheden waaraan ik voordien zelfs nog niet eens aan had durven denken. Een herbronning die nog altijd verder loopt.

Soms heb ik de indruk in Vlaanderen te wonen maar in Nederland te leven. Gewezen NRC-hoofdredacteur en Vlaming van origine Peter Vandermeersch geeft ‘Ik zou zo graag van jullie willen houden. Een Vlaming op zoek naar Nederland’ als titel mee aan zijn boek. Ik moet geen poging ondernemen, ik draag de Nederlandse dagen, maanden, jaren uit mijn leven op handen en hoop dat dit als een rode draad door mijn resterende levensjaren blijft doorlopen. Brutaal gezegd: Nederland bood wat Vlaanderen onthield. Het tolerante vrijzinnig protestantisme overstijgt in ruime mate het gebeten antiklerikalisme tegenover de katholieke kerk. De comparitiecultuur van de Nederlandse loges getuigt van maçonnieke volwassenheid en staat in schril contrast met de praktijk van ‘spreekbeurten’ hier te lande. Sorry, maar zo is het nu eenmaal.

Enkele jaren geleden stak ik een andere grens over en vond een derde plek waar ik mijn resterende levenstijd wil blijven komen: Zwitserland. Ik ontdekte er niet enkel indrukwekkende landschappen maar vooral een maatschappij gebaseerd op waarden die elders verloren gaan: hoffelijkheid neemt er de plaats in van het gebulder van populisten elders in de wereld, ingebouwd respect voor minderheden vervangt de sluwheid en de grofheid waarmee meerderheden en tirannieke ego’s her en der hun wil opleggen, respect – zowel individueel als collectief – voor de verworvenheden van de Zwitserse samenleving en haar leden staat in schril contrast met de eigengereidheid, de brutaliteit en het egoïsme dat overal de kop opsteekt, een traditie van neutraliteit houdt dit land zo ver als mogelijk van oorlogszucht, opportunisme en arrogant eigenbelang à la ‘America first!’. Zwitserland functioneert zoals de uurwerken die men er maakt: met uiterste precisie. Zwitserland, mijn derde grote liefde. Fijnmechaniek voor een samenleving. Ik zal bijgevolg in Vlaanderen blijven wonen, in Nederland leven en in Zwitserland rust vinden.

Maar, als dat zo is, wat kan ik dan aan Ilke en Ibe, mijn kleinkinderen, meegeven?

Ik voel mij schuldig, minstens verward. Als ik dan al voor mezelf een survival-traject heb ontwikkeld, sta ik dan niet met lege handen tegenover mijn kleinkinderen, Ilke en Ibe? Generaties voor mij sloofden zich af om kinderen, kleinkinderen, nageslacht een betere toekomst te bieden. Mijn respect voor mijn grootouders, mijn grootmoeder ‘Bonneke’ voorop, zit levenslang verscholen in elke vezel van mijn lichaam, in elke gemoedsstroom, in elke gedachte. Wat ik samen met anderen dacht bij te dragen tot een betere samenleving en haar toekomst, wordt vandaag uiterst deskundig afgebroken, ontmanteld, terug geschroefd terwijl medeauteurs zoals ik er nog bij staan…

De bouwwerken voor een ‘betere’ wereld zijn door de huidige machthebbers stil gelegd. De stellingen die vorige generaties hadden geplaatst, worden ontmanteld en één voor één afgevoerd. Verschroot. De precisie waarmee deze afbraak geschiedt, zal generaties lang in chaos hullen en het is maar de vraag of ooit werktuigen van heropbouw zullen gevonden worden. En zo ja, waar, wanneer en hoelang ermee gearbeid zal kunnen worden.

Ilke en Ibe, mijn hart weent.

Mijn grootouders gaven mij een rijke bagage mee: nieuwsgierigheid naar het onbekende, flexibiliteit om mijn veerkracht niet te verliezen, doorzettingsvermogen en kracht om vol te houden, discipline en organisatie om doelstellingen in realisaties om te zetten. Maar ook toewijding, liefdevolle toewijding om een piepklein en kwetsbaar mensje, hun kleinkind Hugo,

deelachtig te maken van hun eenvoudige maar prachtige menselijke rijkdom en van de kracht die hen dreef. Dat is alles wat ik in mijn handen, in mijn hart over houd. Als me iets overkomt, zullen jullie in mijn werkkamer mijn menselijke gereedschapskist vinden. En wat foto’s, boeken en papieren. Veel papieren. Die gereedschapskist is voor jullie. Ik beloof jullie dat ik mijn werktuigen die erin zitten tot op het eind goed zal onderhouden zodat jullie er verder mee aan de slag kunnen gaan.

NieuwSgierigheid, veerkracht, kracht, doorzettingsvermogen, discipline, organisatie en een alles verbindende toewijding. Maar ook gedrevenheid die je verhindert je geloof in je medemens te verliezen en die je daardoor altijd weer in staat stelt opnieuw een wenkend perspectief op te bouwen…

Opi Hugo, Aeschlen ob Gunten, 7 juli 2019.